Foutmelding

Deprecated function: implode(): Passing glue string after array is deprecated. Swap the parameters in drupal_get_feeds() (regel 385 van /customers/6/1/e/alaindebbaut.be/httpd.www/includes/common.inc).

De zomer van de poëzie

Vorige week dinsdag, op de terugweg van enkele dagen in de buurt van de baai van de Somme, stopten we in Watou voor een wandeling langs kunst en poëzie. Een afknapper, want op maandag én dinsdag gesloten. De Westhoek rust op dinsdag? De mythe van de hardwerkende West-Vlaming aan diggelen! Ik had er graag het werk van Sofie Muller gezien, in een combinatie met teksten van Bart Moeyaert en Leonard Nolens. Niet dus. Mijn poëtische zomer dreigde zo te eindigen zoals hij begon, in mineur.

Er was de dood van Gerrit Komrij, van wie mij vooral de briljante polemische columns zullen bijblijven. Maar veel meer raakte me het overlijden op 11 juli van Rutger Kopland. Het nieuws bereikte me in Berlijn, via een sms van een vriend en de voorpagina van de Volkskrant. Ik heb van hem omzeggens alles in mijn boekenkast staan. Zijn gedicht Tijd, geschreven in 2000, is voor mij een van de mooiste gedichten uit de Nederlandse taal. In de hem kenmerkende (en soms iets te herkenbare) parlandostijl vraagt de dichter zich af: “hoeveel van wat er in ons leeft| is ouder dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven”, en geeft zelf het antwoord: “het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken | dat ooit niemand meer zal weten | dat we hebben geleefd”. En dan in de voorlaatste strofe: “niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik”. Dit ontroerende besef van eindigheid en tegelijk van verbondenheid met het verleden, spreekt me aan, samen met een groot relativeringsvermogen én de in onvermijdelijke eenzaamheid ervaren vergankelijkheid die ons aller deel is. Fugaces labuntur anni, schrijft Horatius, vluchtig glijden de jaren voorbij. Of beter nog: jij, en ik.

De soms pijnlijke evidenties van het leven vond ik deze zomer vooral terug in het gedicht dat diezelfde vriend van hierboven voordroeg op het huwelijksfeest van zijn dochter. Het ontroerde, niet alleen omdat het doet beseffen hoe zeldzaam gelukkig je moet zijn in een goede relatie, maar tegelijk omdat het je behoedt voor te snelle uitspraken over de relationele problemen van anderen. En daarvan ben ik in mijn omgeving de laatste maanden iets te veel getuige geweest. De boodschap van amoureuze kwetsbaarheid die een ervaringsdeskundige vader aan zijn huwende dochter wou meegeven door net dit gedicht voor te lezen, werd niet door alle aanwezigen geapprecieerd, merkte ik aan de tafel waar ik zat. Op trouwfeesten hoort men vrolijk te zijn, en wordt melancholie bij voorkeur in de vestiaire achtergelaten. Ik wil het hier toch graag volledig citeren, om af te sluiten. Auteur is Erich Fried, een Oostenrijkse dichter, Jood, en na de Anschluss (waarbij zijn vader werd vermoord) in 1938 met zijn moeder naar Engeland gevlucht. Hij werkte er voor de BBC en schreef een groot oeuvre bijeen, waaronder dit (schijnbaar) eenvoudig gedicht:

Het is onzin zegt het verstand
Het is wat het is zegt de liefde

Het is ongeluk zegt de berekening
Het is alleen maar verdriet zegt de angst
Het is uitzichtloos zegt het inzicht
Het is wat het is zegt de liefde

Het is belachelijk zegt de trots
Het is lichtzinnig zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk zegt de ervaring
Het is wat het is zegt de liefde