Augustus

Van alle maanden van het jaar is augustus de meest ambigue. Het stramien van een vakantie: de hoge nood aan en het verlangen naar heel veel juli, de steeds meer benodigde dagen om te genezen van een werkjaar en tenslotte in de tweede maandhelft het vooruitzicht van vreemde luchten en een schat aan nieuwe indrukken. Maar ooit raken we uitgerust en uitgereisd, en dan komen augustus en de kanteling. Ik tel mijn jaren, vierenvijftig al, op de derde van de maand. Nachten worden snel koeler, de sterren vallen uit de hemel op de feestdag van Sint-Laurentius, september werpt zijn schaduw vooruit over de dan nog onbestemde dagen. En na de vijftiende sluipt de school binnen in het spreken, neemt ze opnieuw haar intrek in de pas ontruimde kamers van mijn geest. Augustus, het is intens genieten, dat wel, maar vaak met de natte geur van nazomer in de lucht en in een veelvoudig besef van vergankelijkheid.

Zoals in het geval van oud-leerling Steven De Ridder, amper tweeëndertig geworden. Scherpe geest in een kaduuk lichaam, van jongs af door een spierziekte aan een rolstoel gekluisterd. Maar met wat een moed, wat een doorzettingsvermogen, wat een levenskracht. Die mocht opgroeien, zoals tijdens de uitvaart werd benadrukt, in een warm nest, met immer zorgende ouders en broer en familie en vrienden. Die op school het straffe bewijs vormde dat je geen M-decreet nodig hebt om kinderen met een ‘beperking’ zichzelf te laten zijn en te laten schitteren. Die zijn studies afrondde aan de universiteit in Leuven met twee diploma’s. En als een ster veel te vroeg uit de hemel viel op 12 augustus. “Gewoon een heel bijzonder persoon”, zoals op de overlijdensbrief stond te lezen, waarvoor ik diep respect heb. Zoals voor heel velen wier heldere geest in een schamel lichaam gevangen zit en die toch de wil en de kracht hebben om het leven te omarmen. Het interview met Steven Hawking gezien in de nieuwe format van Canvas? Of de berichtgeving gevolgd over rolstoelatlete Marieke Vervoort? Of dichterbij nog: het aanstekelijk optimisme van Suleyman, mijn groene copain in de gemeenteraad? Zij zijn een les voor wie zichzelf dreigt te verliezen in bekrompenheid en gezaag en geneut over futiliteiten.

Augustus was nog: me helemaal binnenlezen in de eerste helft van de zeventiende eeuw van de Nederlanden. Sinds ik een onderwerp beet heb voor een bachelor- en (later) masterscriptie (al lijkt het er eerder op dat het onderwerp mij beet heeft) heeft mijn historische nieuwsgierigheid een nieuw doel. En dat vind ik heel prettig. Het is misschien wat wereldvreemd, zich willen inleven in de politieke betekenis van ene Jacques Boonen, vertrouweling van de aartshertogen Albrecht en Isabella, en eerst bisschop van Gent (1616-1620) en daarna aartsbisschop van Mechelen (1621-1655). Deze periode van hernieuwde oorlog tussen de Spaanse Nederlanden en de Republiek, uitmondend in het verdrag van Münster in 1648, is evenwel van grote betekenis in de staatsvorming van zowel Nederland als België, en voor zover ik het nu zie boeiende, maar veelal te weinig gekende materie. Voor wie, zoals ik, houdt van archieven en bibliotheken, met hun schat aan manuscripten en geur van oude boeken, is dit een droomonderwerp. Een zelfgekozen verbanning naar deze oasen van rust, vrijplaatsen van de gedachte, eilanden van studie... De sensatie om er na geduldig ontcijferen van het handschrift een brief te lezen uit 1629, zoals in het Aartsbisschoppelijk Archief in Mechelen, waar ik enkele weken terug al een dag kon doorbrengen. Een onwerkelijke vluchtheuvel in een wereld van crises, zeg je? Toch niet. Het is niet omdat je de oorlogen van de 17de eeuw bestudeert, dat je blind zou zijn voor die van vandaag. Want waarin verschillen (jammer genoeg) de oorlogsvluchtelingen van de godsdienstintolerante late 16de en vroege 17de eeuw in hun zoektocht naar vrede en geluk, van de vluchtelingen van vandaag? Wie in de put van het verleden roept, hoort helaas al te vaak de echo van het heden. Om pijnlijk vast te stellen dat de mens in al die eeuwen geen lering heeft getrokken.