Over mountains and hills

We staan er niet altijd bij stil, maar hebben toch maar het ongelofelijke geluk om te kunnen reizen waarheen we willen. Die realiteit wordt pas echt goed duidelijk wanneer je – zoals wij deden – met de ferry de overtocht naar Engeland maakt. Eerder al in juli zagen we mensen ter hoogte van Calais voor de neus van onze auto de snelweg overrennen richting vrachtwagens die in file stonden aan te schuiven voor de Chunnel. Vorige week namen we vanuit Zeebrugge de nachtboot richting Hull: overal metershoge hekken met scheermesjesdraad, vrachtwagens langs scanners en politietoezicht. Nergens waren de muren van Europa ons tot nu toe zo duidelijk als daar. Maar wij hoeven tenminste niet onder een trein te gaan hangen of in een container te kruipen. Voor ons volstond een snelle agentenblik in de auto en het afzetten van een zonnebril bij de controle van de identiteitskaart.

Geen verzengende hitte daar, in het Lake District, geen kans op bosbranden of waterschaarste. Zeeën van wolken, striemende regenvlagen en frisse temperaturen (15, 16 graden), maar zo nu en dan toch ook een streep zon. Ambleside, volgens de immer vriendelijke (en even nieuwsgierige) uitbaatster van B&B Barnes Fell helaas steeds meer een onbetaalbaar wordend ‘country for old (and rich) men’ die bij voorkeur in luxeauto’s rondjes rijden over de smalle wegen langs de meren, was een ideale uitvalsbasis voor stevige staptochten (honderd meter hoog en je ziet nauwelijks nog een mens, alleen wat schapen). Naar Wansfell Pike (482 meter), in het Grizedale Forest (16 kilometer op en af, meer dan de helft in de gutsende regen) en vooral naar The Old Man of Coniston (802 meter). Deze laatste wandeling had echt wel de allure van een bergtocht, met adembenemende (letterlijk en figuurlijk) steiltes langs de ‘ridgeline’ van de Brown en Buck Pikes en Dow Crag. De snel opkomende mist belemmerde het zicht en maakte dus de oriëntatie niet altijd makkelijk, maar kortstondige heldere momenten beloonden ons met een fabuleuze ‘scenery’. En, het maakte mijn dag helemaal, de winkelierster van de lokale Spar had me ’s morgens maar liefst tweemaal met ‘darling’ aangesproken, hoewel ik maar voor een paar ponden bij haar kocht. Het geeft een mens vleugels.

We trokken ook nog een (rust)dag uit voor de romantische dichter William Wordsworth, met bezoeken aan zijn woonsten in Grasmere (het bescheiden Dove Cottage) en (rianter) Rydal Mount, wonderschoon gelegen tussen berg en meer. In Dove Cottage ook een interessante (tijdelijke) tentoonstelling over de slag bij Waterloo gezien en de weerslag daarvan in de Engelse pers van die tijd. Met ook aandacht voor het slagveldtoerisme dat toen ook al bloeide (Engelsen naar Waterloo) en, gruwzaam detail, de boost van deze veldslag voor de inheemse fabricatie van valse gebitten door de recuperatie van de tanden van de bijna 20.000 (overwegend jonge) Engelse gesneuvelden, ‘Waterloo teeth’ genaamd.

I wandered lonely as a cloud
That floats on high over mountains and hills,
When all at once I saw a crowd,
A host of golden daffodils;
Beside the lake, beneath the trees,
Fluttering and dancing in the breeze.

En het mooie laatste refrein

For oft, when on my couch I lie
In vacant or in pensive mood,
They flash upon that inward eye
Which is the bliss of solitude;
And then my heart with pleasure fills,
And dances with the daffodils.

Wordsworth’s beroemd paasbloemengedicht dat ik als knaap las en memoriseerde was in het winkeltje naast Dove Cottage verworden tot een gadget dat in alle mogelijke gedaanten te koop was, van theedoeken tot bekers, van magneten tot bedspreien, en dat vooral ten behoeve van de horden Chinese en Japanse toeristen die maakten dat je er alles behalve ‘lonely’ was of kon verzinken in een ‘bliss of solitude’.

Dan maar liever opnieuw de berg op. Of, beter nog, naar de Muur van Hadrianus. Een jongensdroom, al van toen ik ademloos Rosemary Sutcliff’s Adelaar van het Negende las. En later nog meer, sinds ik mijn leerlingen het anti-heroïsche Roman Wall Blues van W.H. Auden uit het hoofd laat leren, als tegengif tegen het patriottisch getoeter in o.a. de Aeneïs van Vergilius:

Over the heather the wet wind blows
I’ve lice in my tunic and a cold in my nose.
The rain comes pattering out of the sky,
I’m a Wall soldier, I don’t know why.

Daar stond ik dan, als Marcus uit het boek van Sutcliff (een zoon op zoek naar zijn vader die als legionair richting Muur marcheerde, maar nooit terugkeerde). Als de anonieme soldaat uit de pretverzen van Auden. Aan nog maar eens een muur, ditmaal uit het begin van de tweede eeuw na Christus. Een kronkelende lijn van steen, soms maar een halve meter hoog meer. Alles netjes gecementeerd om souvenirjagers ervan te weerhouden stukken als jachttrofee mee te nemen (zoals ooit tot mijn verbijstering een priester-leraar van mijn derde Latijnse had gedaan). Gebouwd om de vijanden van het Romeinse rijk buiten te houden. Maar, zoals de Berlijnse Muur (en hopelijk ooit andere infame muren wereldwijd), uiteindelijk onhoudbaar gebleken en gevallen. In het aanpalende Vindolanda een liveopgraving bezocht, met uitleg bij de vondsten van de dag (o.a. een Romeinse schoenzool). Een heel mooi en up-to-date museumpje ook.

We breiden aan onze trip nog een dagje Fountains Abbey, ruïnes van een rijke en door Hendrik VIII ontmantelde abdij in een rustig tuinlandschap, en een zonnig weekend York, met zijn vele winkels en imposante Minster. Zondag werd het traag aftellen naar de boot, deels in het gezapige Beverley, onder een steeds grauwer wordende lucht, met vanaf de namiddag opnieuw overvloedige Engelse regen. In de haven ‘lag de zee als een moederlijf in haar hangmat te wiegen’ – zoals dichter des vaderlands Charles Ducal in een vandaag gepubliceerd gedicht laat lezen, maar dan net iets heviger. En neen, we hadden bij de nog grondigere controle van de auto dan bij de heenreis (onder de motorkap en met spiegels onder het koetswerk zelfs…) niets aan te geven, behalve wat herinneringen zoals ze hier te lezen zijn, en voeren dus klotsend uit en rolden na een lange deinende nacht opnieuw ons eigen bed in.