Vive le Vélo

Ik mocht dan al op 30 juni de schoolpoort achter me dichtgetrokken hebben, mijn eigenlijke vakantie begon pas op 9 juli op een fietspad langs de Somme, tussen Saint-Valéry (vanwaar – voor de liefhebbers van geschiedenis – in 1066 Willem de Veroveraar uitzeilde om Engeland te veroveren) en Abbeville, op weg naar de start van de 6de rit van de Tour de France. De wind woei hard en heerlijk, en blies de overvolle kamers van mijn geest helemaal schoon. Ik fietste mijn schoolmoeë zelf uit de wielen en kwam met een weldadig vakantiegevoel als winnaar aan in Abbeville. Tour en vakantie, een onafscheidelijke combinatie van in mijn prilste jeugd, van in de tijd dat ik met plastic coureurtjes bergetappes naspeelde in het zand, naar Jan Wauters’ radioverslagen van heroïsche wielergevechten tussen Merckx en Ocaña luisterde of met de vriendjes uit de buurt ‘rond den blok’ koerste. Een litteken op mijn linkerknie getuigt nog altijd van een zware val in één van de vele spurtjes die we dan trokken.

Mijn wielerliefde gaf dit jaar de voorkeur aan een minder druk Abbeville boven Antwerpen. We waren nu eenmaal toch in de buurt voor een korte midweek, vandaar. Abbeville is voor het overige een stoffig stadje, dat in Vlaanderen een stilaan uitdovende herinnering oproept aan Joris Van Severen, kopman van het Verdinaso, één van de belangrijkste vooroorlogse fascistoïde bewegingen. Van Severen, opgepakt door de Belgische overheid op 10 mei 1940, weggevoerd en uitgeleverd aan Franse gendarmes, werd er opgesloten in de kelder van een kiosk en vervolgens op 20 mei doodgeschoten. Zijn intellectualistisch discours en heel-Nederlandse ideeën waren zeer geliefd bij mijn ietwat zwartgerande grootvader, die ik trouwens nooit heb mogen aanspreken met ‘opa’ of ‘pepe’ of iets in die aard, maar met een bijna martiaal en in deze context veelbetekenend ‘Herwig’. In zijn Antwerps appartement hing tot aan zijn dood in 2004 een affiche van het Verdinaso, en toen ik hem als jonge gast ooit vroeg wat dit te betekenen had, antwoordde hij fier dat het de enige partij was waarvan hij ooit een lidkaart had bezeten. Maar ik was niet naar Abbeville gekomen voor de kiosk van Van Severen of voor een groet aan zijn graf. Ik wou renners zien. De geur snuiven van geoliede spieren. De nabijheid voelen van de anders alleen op televisie te bewonderen idolen. Staande voor het zonovergoten podium waar de renners een voor een het startblad kwamen tekenen, kon ik ze goed monsteren. Een rood verbrande neus en de meewarige blikken van mijn echtgenote nam ik er graag bij, blij als het kind dat ik lang geleden was en nu opnieuw even mocht zijn, met als trofeeën achteraf een bolletjespetje en een drinkbus.

En ja, ik heb geapplaudisseerd voor Greg Van Avermaet, die later op weergaloze wijze een rit zou winnen. Voor de gekneusde en bepleisterde Johan Van Summeren, slachtoffer van een vreselijke val onderweg naar Hoei. En uiteraard ook voor Peter Sagan en Alberto Contador, altijd smaakmakers van de koers, of ze nu winnen of verliezen. En toch ook voor Chris Froome, door de Franse speaker straal genegeerd toen hij kwam tekenen. Zeker niet de meest aaibare van alle coureurs, maar een groot atleet, die het de laatste dagen nog moeilijk kreeg om zijn geel te behouden, wat hem heel menselijk maakte (een gelijkaardig scenario trouwens als op het einde van de Giro d’Italia, toen Contador de tol begon te betalen van de voorafgaandelijke inspanningen). Het startschot van de rit zou ook het startschot vormen voor mijn vakantie.

Wanneer ik dit schrijf, is de Tour voorbij en zijn de winnaars en verliezers gekend. De laatste week heb ik helemaal gemist, diep in Engeland, waar voetbal, paardenrennen en cricket de sportpagina’s van de kranten vullen. Ik ga vanavond nog wat opgenomen afleveringen van Vive le Vélo bekijken en languit in de zetel broeden op een verslag over onze reis naar Engeland. Vive le Vélo!