Zalig

Van een aandachtige lezer van deze blog kreeg ik de vraag hoe ik interesse en sympathie voor beschouwelijke filosofen als IJsseling en Lemaire kon rijmen met mijn eigen politiek activisme. Een prikkelende vraag, die me hier aanzet tot een verre terugblik. Als zeventien-, achttienjarige was ik, onder invloed van een gedreven priester-leraar in het retorica van het College van Sint-Niklaas, zeer geboeid geraakt door bevrijdingstheologen en priesters die het in Zuid- en Latijns-Amerika opnamen voor de armsten. De grimmige dictaturen van El Salvador, Guatemala en Nicaragua kwamen geregeld in het nieuws, met berichten over gruweldaden vanwege extreemrechtse paramilitaire groepen en de dapperen van het verzet daartegen, waarbij ik uiteraard sympathiseerde met deze laatsten.

Ook enkele Vlaamse priesters hebben toen een veilige parochie in de ‘Vlaanders’ ingeruild voor een leven met en tussen de arme Latino’s, zoals mijn stadsgenoot Frans Wuytack (begin de jaren 1970 persona non grata verklaard, zowel in Venezuela als in het bisdom Gent, en uit de kerk gezet – ik heb hem nog horen speechen in het donkerrood café van mijn grootouders), Walter Voordeckers (vermoord in mei 1980), Serge Berten (verdwenen in januari 1982) en anderen. Groot ontzag had ik ook voor aartsbisschop Oscar Romero, die resoluut partij koos voor de armen van El Salvador, een eredoctoraat kreeg in Leuven in februari 1980, maar door kersvers paus Johannes Paulus II op het matje werd geroepen, omdat hij in zijn thuisland “aan politiek deed” en zo de rijke elite en conservatieve kerkelijke instanties tegen de haren streek. Aan politiek doen was in de ogen van deze paus aan priesters alleen maar toegestaan in het Oostblok, in het kader van de Koude Oorlog en de strijd tegen het goddeloze communisme. Dat Romero in zijn ogen ook een ‘communist’ was, legitimeerde zo het optreden van het doodseskader. Goed en wel terug thuis uit Europa werd hij op 24 maart 1980 achter zijn altaar in San Salvador vermoord. Ik hoorde het nieuws op de radio, op kot in Gent. Het veroorzaakte een schokgolf onder gelijkgezinde jongeren en we besloten tot betogingen om onze solidariteit uit te drukken met deze man en met het volk van El Salvador. Een in Gent, en zelfs een in Sint-Niklaas tijdens het daarop volgende weekend (zie de foto uit de krant boven deze tekst, en zoek mij).

Toen ik onlangs aan mijn leerlingen vroeg waarvoor zij nu de straat zouden opgaan, bleef het heel lang stil. Maar in die jaren was betogen heel gewoon. Tegen kernenergie. Tegen de plaatsing van kernraketten op Belgisch grondgebied (“weg die bommen, godverdomme”). Tegen een zoveelste betonaanslag op het groene Waasland. Ik sloot me aan bij de Groene Fietsers van pater Luc Versteylen, grondlegger van Agalev (Anders Gaan Leven) en organiseerde zelf in Sint-Niklaas een ‘fietseling’, een fietsbetoging voor meer veiligheid in het verkeer en betere fietsinfrastructuur. De groene schijf die je daarbij aan je voorvork kon bevestigen, bewaar ik als herinnering aan deze strijdbare jeugdjaren. En dus gingen we ook de straat op voor Oscar Romero. Dat paus Franciscus (de eerste paus die bij mij respect afdwingt) hem onlangs als martelaar zalig (‘beatus’) verklaarde, is mooi en een erkenning van het waardevolle van zijn boodschap, maar het maakt me op zich niet zoveel uit. Voor mij is hij altijd al zalig geweest, bij leven en zeker door en na zijn dood, en heilig zelfs (‘sanctus’). Ook zonder de twee daarvoor door de kerk vereiste mirakelen.

Waar mensen als Romero me inspireerden tot politiek activisme en een engagement voor sociale rechtvaardigheid, hebben de boeken van o.a. IJsseling en Lemaire (naast vele anderen) mijn denken verdiept. Het denkende danken en filosofisch pluralisme van IJsseling, en de ecofilosofie van Lemaire, zoals in het ‘Met open zinnen’ uit 2002, waarin de nadruk ligt op de rol van onze zintuigen en onze verhouding tot de natuur, het landschap en de aarde. Ik mocht ooit in het gezelschap van een gemeenschappelijke kennis een dag met hem optrekken in de Lot, een departement vlak onder de Dordogne. Hij was op zoek naar een nieuwe woonst, want waar hij woonde kwam de beschaving, in de vorm van de grasmachines van buren, hem te dichtbij. We bezochten het wonderschone Les Arques, waar de beeldhouwer Ossip Zadkine zijn atelier had (er is een klein museum, en ook in het kerkje staan beelden van Zadkine) en dronken thee op een terrasje in het naburige Cazals. Zijn hond Tessa vond het maar niets, achteraan in een camionette heen en weer geslingerd te worden over Franse kronkelbaantjes, maar ik genoot van de gesprekken over de baten van een polytheïstische levensvisie. Over natuur en cultuur. Over Prometheus en Orpheus. En achteraf schreef hij in het boek (dat ik meehad) een opdracht: “Bij gelegenheid van onze kennismaking in de Dordogne en ’t gewaarworden van gemeenschappelijke interessen.”
Een zalige ervaring die ik even diep in mijn herinnering koester als de asperges met IJsseling en ik verklaar mezelf dan ook ‘beatus’ dat ik met deze twee voor mij ‘intellectuele reuzen’ enkele uren heb mogen doorbrengen.

En nu ben ik na een slopend schooljaar aan nieuwe zaligheden toe, die van stilte en herbronning en nieuwe vergezichten, zoals van het Lake District en de Muur van Hadrianus. En ik lees een gedicht van Tomas Tranströmer (Stockholm 1931-2015). Dat helpt (zoals poëzie helpt, dichtte Herman De Coninck). Tijd om de werkelijkheid, die dit jaar uitgebreid op mij heeft geteerd, los te laten. Tijd om de ogen te sluiten en te ontdooien. Tijd om mij aan te melden aan het gras.

ZOMERVLAKTE

We hebben zoveel gezien.
De werkelijkheid heeft uitgebreid op ons geteerd,
maar hier is dan eindelijk de zomer:

een groot vliegveld – de verkeersleider
loodst vracht na vracht bevroren
mensen uit de ruimte binnen.

Het gras en de bloemen – hier landen wij.
Het gras heeft een groene chef.
Ik meld mij aan.

(Tomas Tranströmer won in 2011 de Nobelprijs voor Literatuur. Hij overleed op 26 maart. Het gedicht komt uit de bundel Klanken en Sporen (1966) en werd vertaald door Bernlef in De herinneringen zien mij – Verzamelde Gedichten / Memoires, Amsterdam (2002), p. 103.)