Blowing in the wind

Het hedendaagse onderwijs biedt nog wel eens verrassingen, zelfs voor iemand met tweeëndertig dienstjaren op de teller. Woensdag laatstleden diende ik zo tegen twaalven een klaslokaal af te sluiten, waar leerlingen van het vijfde jaar onder externe begeleiding een vormingssessie hadden gekregen in het kader van ‘relatievorming’. Ik belandde er in de uitloper van een klasgesprek over erogene zones, de wenselijkheid van schaamhaarscheren en het fenomeen van ‘foefscheten’. En dat terwijl ik gedacht had alleen met wat tafels en stoelen te moeten schuiven en ramen en deur te sluiten.

‘Foefscheten’… De vormingsjuf en mijn leerlingen, die mijn wenkbrauwen in de hoogte hadden zien gaan, sprongen gretig bij met toelichting, waardoor mijn inzicht in het rijk van de vrouw en heur vaginale gezucht werd verruimd. Met taalwinst bovendien: toen ik ’s avonds Goedele Liekens zich op de radio hoorde uitsloven over een misplaatste tweet die ze de wereld ingestuurd had, kon ik dit meteen duiden als een virtuele foefscheet.

Dit nadenken over scheten inspireerde me tot meer (al is ex-spireren hier de betere woordkeuze). Merkwaardig vind ik dat de geur van de eigen wind, als boodschap van ons innerlijk, niet als onaangenaam wordt ervaren. Door aan je eigen winden te ruiken, bijvoorbeeld onder de lakens, kan je nagaan hoe rijk het innerlijk leven is dat je op dat moment leidt. Montaigne, daar heb je hem weer, was een specialist ter zake. Tussen haakjes, een van de hoogtepunten van de voorbije paasvakantie was dat ik in Bordeaux, in het Musée d’Aquitaine, aan zijn mooie maar helaas slecht verlichte graftombe stond. Zijn zeer lezenswaardig reisverslag naar Italië gaat voor meer dan de helft over de wind in al zijn verschijningsvormen. Ware filosofie lijkt voor hem te beginnen bij een passende beschrijving van de eigen stofwisseling. Je pète, donc je suis, dus. Door een nieraandoening, waardoor hij ook een regelmatig bezoeker van kuuroorden werd, is hij een expert op het vlak van winden. Zo weet hij precies welke plek van zijn buik hij moet beroeren om zijn winden te laten ontsnappen. Hij vertelt hoe drie gekonfijte korianderzaden daarbij zeer bevorderlijk kunnen werken en hij heeft er geen moeite mee om dit alles in zijn reisdagboek te noteren. Voor hem zijn lichaam en geest onafscheidelijk. En Montaigne is een vrij mens, vrij tegenover deze effecten van de eigen stofwisseling.

Hoe anders het onderwijs. Voor een klas, aan het bord denk ik vaak met afgunst aan Montaigne. De kennelijke vrijheid die hij genoot om winden te laten en er van te genieten, is iets waarvan leraren verstoken zijn en alleen maar kunnen dromen. Tijdens het lesgeven is dergelijke verificatie van het innerlijk leven uitgesloten, vooral omwille van de mogelijke geluiden (een van te voren moeilijk in te schatten zaak) en de reactie die dit zou kunnen teweeg brengen bij de leerlingen. Een scheet zou nu eenmaal de inhoud van het betoog omver kunnen blazen. Gevolg is soms een acuut gevoel van opgeblazenheid en gezwollen gedachten, bolle frasen.

In zijn onnavolgbare Kritiek der Cynische Rede uit 1983 wijdt filosoof Peter Sloterdijk hieraan een paragraaf. Hij schrijft: “Onderwijzers, professoren, redenaars en deelnemers aan congressen kennen allen de kwelling van een hevige winderigheid die geen geluid mag voortbrengen. Zou het helpen ons te verplaatsen in politici (lees: leraren, directeurs), wanneer we bedenken bij het beluisteren van hun redevoeringen (lessen, uiteenzettingen) dat ze misschien net bezig zijn met het temmen van een scheet die al een tijd lang hun voordracht wil onderbreken? De kunst van de vage formulering houdt immers verband met de kunst van de decente wind.”

In het onderwijs heb ik alvast met die tijdelijke opgeblazenheid leren leven. Een groot geluk is dat een lesuur maar vijftig minuten duurt en dat de verplaatsing van het ene naar het andere lokaal, in de drukte en het rumoer, veel mogelijk maakt. Wie mijn pad kruist, mag dit weten. Na het belsignaal begeef ik me vrolijk op weg. Zachtjes snuivend laat ik de geest van het humanisme langzaam tot me doordringen. Mijn collega’s en directie wens ik hetzelfde toe.