Het beest rond mij

Het laatste waarvan men mij kan verdenken, is een grote betrokkenheid op dieren. In mijn jonge jaren kwam ik nooit verder dan een kermisgoudvis in een plastic zakje, een kanarie die jammerlijk stikte in giftige verfdampen toen mijn overijverige moeder zaliger de deuren nog maar eens een beurt wou geven, en – ik woonde toen net alleen – een dwergkonijn Nero dat de antichristelijke reputatie van zijn Romeinse naamgenoot eer aandeed door in de vinger te bijten van de onderpastoor die op huisbezoek kwam bij zijn nieuwe parochiaan.

Maar een mens krijgt kinderen en dan veranderen de dingen, blijkbaar, en nodigt een kleine stadstuin met terras al gauw uit tot het opzetten van een minizoo. Papa, mogen we een hond, een kat, een kip, een konijn, een cavia, een paard zelfs?

Honden vielen meteen af. Geen sprake van. Ik had het nooit voor een hond gehad, en al zeker niet sinds er een aan mijn bil had gehangen tijdens een fietstochtje in Frankrijk. En mijn paardenminnende dochter en vrouw kunnen hun hobby gelukkig elders beoefenen, omdat er op deze wereld mensen genoeg zijn die wel een paard bezitten, maar er niet altijd zelf op kunnen of willen rijden.

Twee kippen dan maar. Ze legden eieren, dat wel, in een speciaal voor hen door opa getimmerd luxehok, maar het bescheiden stukje grond dat ze konden bescharrelen, werd snel een onfris ruikende drekboel. Ratten uit het wijde omgeving breidden hun territorium uit tot aan onze keukendeur, merkten we, en dus na een experiment van nog geen jaar werden de kippen afgedankt, richting schoonfamilie met veel, heel veel ruimte in de Meerdonkse polder.

Cavia’s? Je begint met eentje, dat achteraf een zwanger wijfje blijkt te zijn, en dus op een morgen lachen zes van die beestjes je toe en start het leuren bij vriendjes en vriendinnetjes, enzovoort. En er is dan haast bij, want na drie weken zijn die lieverds zelf al aan reproductie toe en dreigt de hele incestueuze winkel je huis te overspoelen. Exit cavia’s.

Konijnen! Een dwergkonijn is inderdaad een schattig en hoogst aaibaar huppeldier, waaraan kinderen veel vreugde beleven, en als de kinderen gelukkig zijn, dan ook de vader. In ons volledig ommuurd konijnenpairidaiza konden ze zich bovendien ongestoord uitleven, aan het gras knabbelen en zonder erg hier en daar een tunneltje beginnen, want ver kwamen ze toch niet. En omdat eentje geentje is, kwam er een tweede bij, een ‘vriendje’ zogezegd. We hadden er wel op gelet dat het twee mannetjes waren, dus met de risico’s op ongewenste voortplanting zat het goed. Alleen bleken ze bij momenten vechtlustige minimacho’s en dat op leven en dood en moesten ze netjes uit elkaar gehouden worden met kippengaastoestanden enzovoort. Tot eentje van hen spontaan de geest gaf en de andere, Basje, de tuin voor zich alleen had. In de late nazomer van 2014 prikten stoute muggen hem de mixomatose onder de zachtgrijze vacht en hebben we hem moeten laten inslapen.

En nu zijn er dus twee katten. Na de desastreuze hagelstorm van begin juni vorig jaar, had een moederkat met drie pasgeboren jongen haar toevlucht gezocht onder ons afdak en was een dag later deze in onze ogen slechte moeder onbekommerd met slechts één van hen opnieuw vertrokken. Met achterlating van twee kleine hulpeloze bolletjes, waarvoor zelfs mijn diervreemde ik niet ongevoelig kon blijven. De kinderen in koor: “Mogen ze blijven? De twee? We zullen er goed voor zorgen…” Ze kregen een naam naar de kleur van hun pelsje, Bruin en Grijs, en zo kon een nieuw dierenhoofdstuk geschreven worden ten huize van. Melkjes en later korrels, een paar keren dierenarts, sterilisatie, wat accessoires zoals kattenbak en krabpaal, en heel wat euro’s later zijn onze twee kleine katjes heuse en verwende beesten geworden. Bruin een dikke, luie en slaapgrage ‘mol’, Grijs een wat simpele ziel die maar niet wil of kan begrijpen dat als je ergens op kruipt, je ook nog naar beneden moet. Het eerste lukt altijd, het laatste nooit. En dan volgt jammerlijk geschrei en moet hulp komen, al dan niet met ladders.

Zie ze liggen op de foto in bijlage. Twee zusters als geliefden. Zoals op het ondeugende schilderij ‘Slaap’ van Gustave Courbet. Schijnbaar onschuldig. Alleen, als hun instinct eventjes ontwaakt en ze in de tuin vogels willen beloeren, zoals in de afgelopen week, weten de in de haag broedende koppels koolmeesjes en merels zich het leven niet meer veilig. Als ze mij aanstaren, vraag ik me af wat ze denken. Ik probeer de lijnen van hun krullende staart te lezen, maar kom niet verder dan een uitroep- en vraagteken. Dat ze wel een geheugen hebben, mocht ik ondervinden toen ik Bruin tegen haar zin en met veel geblaas wilde buitenzetten. Sindsdien gaat ze voor mij op de loop, verstopt ze zich of kijkt ze me argwanend aan. Of beeld ik mij dit laatste in en is het zoals Montaigne zich ooit afvroeg: “Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij?”. “Qui sçait si elle passe son temps de moy plus que je ne fay d’elle”, letterlijk. Voor hem een door scepsis ingegeven reflectie over menselijke kennis (“wat weet ik?”) en een typische relativering van de menselijke superioriteit vergeleken bij dieren. In elk geval weet ik niet of wij nu twee katten hebben, of die twee katten ons. Als ik ze zo zie liggen in de zetel, op een dekentje, denk ik eerder het laatste en zoek ik me dus een andere zetel, een ander dekentje.