Drie jongens en een oorlog

Als leesgierig jongetje was ik groot liefhebber van de ‘Drie Jongens’-reeks van jeugdschrijver Pieter Grashoff (1927-2010). Hij publiceerde in de korte periode 1969-1974, mijn jaren van onschuld, een vijftiental van deze spannende boeken met eenvoudige en direct aansprekende titels. Soms speelde de technologie een doorslaggevende rol in de avonturen van de drie vrienden: Drie jongens en een raket, ... en een onderzeeër, ... en een raceboot of een robot. Dan weer doken er spannende en in mijn Sint-Niklaas van die tijd niet alledaagse figuren op, zoals in Drie jongens en een spion, ... en een kaper, ... en smokkelaars en zelfs ... en een Arabier! Voorwaar. Wie het nu zou wagen om een jeugdboek te publiceren met als titel Drie jongens en een Arabier zou zich wel wat Syriëverdenkingen op de hals kunnen halen, vrees ik.

Drie jongens. Ik moest er niet zonder weemoed aan terugdenken toen ik daarnet de laatste hand legde aan een driedelige artikelenreeks voor het Informatieblad van mijn school, over oud-leerlingen die sneuvelden in WOI. Een tragische aanvulling op de reeks die ik zo graag gelezen had en me tot op vandaag voor de geest staat. Drie jongens en een oorlog. Drie jongens met een heel verschillende sociale achtergrond, maar allen voorbeeldige studenten, voortgaande op hun resultaten, bewaard in het collegearchief. Met een heel leven en een stralende toekomst voor zich, scheen het, bij hun afzwaaien op school.

Marcel Blancquaert, zoon van een fabrikant en Lokers schepen, vrijwillig in dienst getreden als ruiter in een regiment van lansiers. Gestorven in Leuven op 21 augustus 1914 (in een inderhaast ingericht militair hospitaal in de Tiensestraat, waar zich vandaag het Politika Kaffee bevindt) aan de gevolgen van verwondingen die hij twee dagen eerder had opgelopen tijdens gevechten in de buurt van Pellenberg. Begraven in de crypte onder het oorlogsmonument op de stedelijke begraafplaats van Leuven. Twintig jaar oud.

Romain Rogiers, zoon van een arbeider en in 1910 als beroepsvrijwilliger getekend bij het leger. Opgeklommen tot de graad van sergeant. In mei 1914 ontslag genomen en aan de slag gegaan als spoorwegbediende. Terug opgeroepen op 30 juli en gesneuveld in Hennuyères bij Braine-le-Comte op 24 september 1914 tijdens een mislukte poging van een speciale eenheid (nu noemt men dit graag ‘special forces’) om achter de Duitse linies de spoorlijn Brussel-Bergen te saboteren. Zijn lichaam zou zijn bijgezet in een ereperk in Masnuy-Saint-Pierre, een 20-tal kilometer ten zuiden van Hennuyères, maar zijn naam is daar niet terug te vinden. Vermist (‘missed in action’ dus). Drieëntwintig jaar oud.

Julien Van Putte, zoon van de hoofdonderwijzer van Eksaarde, gesneuveld in Boezinge op 2 juli 1917 en begraven in West-Vleteren. Zijn overlijdensattest, ondertekend door de dienstdoende geneesheer, stelt: “… est décédé à 1h.45 du matin par suite de fracture du crâne par éclat d’obus en service commandé (secteur de Boezinghe).” Julien studeerde architectuur en had zich in oktober als vrijwilliger aangemeld bij het 11de Linieregiment. Teruggetrokken tot achter de IJzer. Begenadigd tekenaar die als frontsoldaat schetsen en aquarellen maakte van het leven in de loopgraven. Drieëntwintig jaar oud.

Drie jongens en een oorlog. Drie van de naar schatting negen miljoen doden van WOI. Ik kijk mijn eigen zoon van straks tweeëntwintig in de ogen en denk aan wat een vorige eeuw zoal heeft aangericht in al die generaties van jongens, en daarna, en nog. Altijd maar opnieuw Marcels, Romains en Juliens. Het houdt nooit op, lijkt het. Het houdt nooit op.