Waar is dat feestje?

Dit had een feestelijke blog moeten zijn. Mijn vijftigste schrijfsel, nog geen drie jaar na de opstart van deze site. Bruisende gedachten, knallende zinnen. Champagnetekst. Alleen, de trouwe lezer zal opgemerkt hebben dat het voorlaatste stukje verwijderd werd. Dus is dit nummer negenenveertig? Talrijk de vragen hierover, van vrienden en kennissen, van mensen waarvan ik nooit vermoedde dat ze lezer waren of van anderen die het alsnog wilden worden. Voelde me op de duur bevraagd als een uitgeputte kiosk zonder Charlie Hebdo’s. Maar zie, ik hou de lippen stijf op elkaar. Het lacht nu eenmaal wat moeilijk nadat je een stukje gezond en krachtig gebit bent kwijt geraakt. Mijn gedachten dwalen af naar zo’n onttande smoel in het schietkraam van Tir Freddy op de kermis. Twee rake kogels waren het, een met een gesneuvelde blogtand voor gevolg, en een precies door mijn hart. Die door mijn hart deed me doodgaan. Drie dagen lang om precies te zijn, waarna ik verrees door de miraculeuze wonderzalf die vrienden aan mijn gekneusde tors smeerden. Maar voor die tand zoek ik nog een oplossing. Ik lispel me voorlopig nog even door het leven.

Veel kan en mag ik dus niet zeggen. Alleen dat de tenen van enkelen reikten tot onder mijn schrijftafel. Zo lang dus. En dat het klein beetje satire in de tekst slecht was gevallen bij de behoeders van het rechte pad, waarvan ik, stout schaap, moedwillig bleek te zijn afgedwaald. Mensen die zich misschien vorige week vanuit hun luie zondagse zetel, voor of na het obligate veldrijden, allemaal heel even Charlie gevoeld hebben toen in Parijs en elders de vrijheid van meningsuiting publiekelijk werd verdedigd. Maar kom, tout est pardonné, zeker?

Wat ik van die aanslagen vind? Walging. Geen greintje begrip voor de daders. Maar evenzeer walging van de frontlijn van de steunoptocht achteraf, waar de Russische en de Turkse ministers van Buitenlandse Zaken hand in hand voorop liepen met de Netanyahu’s van deze wereld. Hypocriete machtscynici die er hun hand niet voor omdraaien om elke kritische stem jegens het regime dat ze vertegenwoordigen vakkundig de nek om te wringen. Ja, en zelfs Saoedi-Arabië keurde de aanslagen af. Herlees daarom mijn eerdere blog ‘De vrede zij met hem’ maar eens. Het werd me toen droef te moede. Het was alsof de arme slachtoffers zo een tweede maal werden vermoord.

Ik zal nooit spotten met God en zoon Jezus, met Allah en zijn profeet Mohammed, met Jahweh of welke andere god ook. Dat is al te gemakkelijk en in deze ben ik dus géén Charlie. Maar goed, de gedachten zijn vrij. Pennen of potloden mogen hun soms onwelvoeglijke gang gaan. Een waarde die me op deze site uitermate dierbaar is. Je kan daarentegen niet genoeg spotten met diegenen die goden en hun aardse gedelegeerd bestuurders verzinnen om zich vervolgens op hen te beroepen om hun eigen terreur en misdadige macht te legitimeren. Hén moet je bestrijden, de leugenaars die Vrede, Salaam, Sjalom prevelen, maar Oorlog denken. Hén moet je bekampen, de opgeblazen potentaten en potentaatjes die zich christenen of moslims of joden noemen en met de claim van het eigen enig ware geloof anderen (zelfs geloofsgenoten) met genoegen monddood maken en zelfs gewoon dood, wat scheelt het. Ieder geloof zijn eigen Herrenvolk. Helaas een eeuwenoud verhaal.

Terug naar Lokeren. Vanaf volgende week lees ik in de klas de verdedigingsrede (Apologie) van Socrates. Een tekst die ik al vele jaren koester, maar nu, in deze tijden, nog meer. Socrates vertelt hoe hij prikkelende horzel wou zijn in de nek van het trage en zelfgenoegzame paard Athene en hoe dit hem op een aanklacht is komen te staan. Officieel omdat hij de jeugd bedierf en vreemde goden aanbad, in werkelijkheid omdat hij denkend in de wereld stond, zijn medeburgers voortdurend kritisch bevroeg en hun waanwijsheden probeerde te doorprikken. Vrank en vrij in denken en doen. Omdat hij in de clinch ging met sofisten, de in eigendunk opgestegen leraren van het grote gelijk, de hogepriesters van de gebakken lucht, venters van verpakking zonder inhoud. Logisch (in hun logica tenminste) dat zij hem liever dood hadden en dus de gifbeker deden drinken. Dat hij vele jaren van verdienste voor zijn stad had, deed er even niet toe. Men deed met hem wat met lastige horzels nu eenmaal gebruikelijk was: doodmeppen. Laten we daarom in deze barre dagen (niet: bange – we mogen niet bang zijn) zeker ook Socrates gedenken. Man van meer dan vierentwintig eeuwen oud. Man van mijn (intussen geheelde) hart. Alleen, nu nog verhelpen aan dat geslagen gat in mijn feestmond.