Lijstjes…

Begin november en dus nog te vroeg voor jaarlijstjes van wat dan ook. Maar in mijn mailbox dwarrelen ze toch al binnen, zoals de bladeren onder de achterdeur, met vooral dan een top drie van gelezen boeken in 2014, gedeeld op het forum van de lokale Letsgroep. Allicht heeft dit te maken met het eerste vuur in de haard op killere avonden en dekentjes die worden uitgehaald ten behoeve van het kouwelijke lijf, en dan de gezellige knusheid van boeken binnen handbereik.

Hier het mijne, weliswaar met de bemerking dat de studies van het voorbije jaar echte leesmomenten eerder schaars maakten. Maar dat had ook zijn voordelen, zal op het einde blijken. Op één, en ik verwees er al naar in een vakantieblog, het boek “Slaapwandelaars” van Christopher Clark. Hij gaat in dit lijvige werk op zoek naar wat voorafging aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Goed gedocumenteerd, goed geschreven en beklijvend van de eerste tot de laatste bladzijde. Clark fileert het diplomatieke verkeer van de jaren 1900-1914, het tunneldenken bij de ‘slaapwandelende’ leidende klassen, en de waan van een militaire oplossing voor problemen met echte en vermeende geschonden eer. Nuances ook bij de opvatting dat enkel en alleen Duitsland schuld treft. Een gigantische stapel misverstanden, zeg maar, die leidden tot miljoenen doden.

We stonden vorige week op het slagveld van de Somme, in Beaumont Hamel, en werden door het landschap en de infoborden teruggevoerd in de tijd, naar 1 juli 1916. Aan de ene kant van de heuvel in hun loopgraaf (goed bewaard en met gras begroeid) een compagnie soldaten uit New-Foundland, Canada. Aan de andere kant Duitse soldaten met hun machinegeweren in de aanslag. Ik herlas enkele hoofdstukken uit Edmund Blunden’s Undertones of War, met name die waarin hij als jonge luitenant de gevechten aan de Somme heel nuchter en gedetailleerd beschrijft. “The terrible Beaumont Hamel, one of the German masterpieces of concealed strength. But we hardly realized that yet.” Dezelfde scène herhaalde zich die dag over meerdere kilometers aan het Sommefront. Een fluitsignaal in de vroege zomerse ochtend. Nog voor de avond viel, waren er 19.000 jongemannen uit het British Empire en een onbekend aantal jonge Duitsers gesneuveld. Even voorbij Beaumont ligt Thiepval. Uittorenend boven de omgeving een schreeuwerig monument, te imperiaal, te triomfboogachtig, vond ik eerst, maar van dichtbij deden de op de wanden gebeitelde namen van meer dan 73.000 aan de Somme vermiste Britten dat theatrale en pompeuze vergeten. In het westen zonk de zon intussen achter de golvende horizon. Mist steeg op uit de grond, de zuchten van zovele doden.

Een tweede boek, aanbevolen door een vriend: “Kort oponthoud op de weg van Auschwitz” van de Zweedse auteur Göran Rosenberg. Hij vertelt het verhaal van zijn vader en moeder die beiden Auschwitz overleefden, migreerden naar Zweden en daar opnieuw de draad van hun leven probeerden op te pikken. Voor zijn vader lukt dat niet, en hij pleegt uiteindelijk zelfmoord. Göran is dan twaalf jaar oud. Ik las het in de grote vakantie en vond het om meerdere redenen pakkend. Overleven is één ding, leerde ik, voortleven is iets anders en niet iedereen gegeven. Vader David Rosenberg, die slaagde in het eerste, wist niet om te gaan met het tweede. Göran Rosenberg gebruikt het oudtestamentische verhaal van Lot om wat zijn vader overkwam te duiden: een man die omkijkt naar zijn brandende stad, naar zijn verleden, en in een zoutzuil verandert. De oude Rosenberg, die leeft in een achteruitkijkspiegel terwijl iedereen de Tweede Wereldoorlog net wil vergeten en alleen nog maar vooruit kijkt, voelt zich meer en meer verloren, en gaat aan dat zich mis begrepen voelen ten onder. En ook haalt de auteur een gedicht aan van Czeslaw Milosz, met twee keer een schuin streepje door de l (volgens de poetsvrouw uit te spreken als ‘w’). Het gedicht ‘Campo dei Fiori’, een verwijzing naar het pittoreske ‘bloemenplein’ in hartje Rome waar in 1600 Giordano Bruno op de brandstapel van de inquisitie eindigde, gaat over het lijden van Bruno dat schril afsteekt tegen de activiteiten van de aanwezige marktkramers, die misschien wel even opkijken naar de brandende man, maar daarna verdergaan met het verkopen van olijven en citroenen. Idem voor een speeltuin in Warschau, waar jonge meisjes op de draaimolen onder hun opwaaiende rokken de warme wind voelen van de brand in het getto en de assen voorbij de muren van het geteisterde stadsdeel zien neerdwarrelen, maar zonder dat het hen deert. Een Poolse variatie op dat beroemde “Musée des Beaux Arts” van Auden. Om duidelijk te maken dat het lijden van David Rosenberg de wereld niet doet stilstaan. Behalve dan voor zijn gezin, en voor een zoon, meer dan vijftig jaar later.

Het laatste boek, dat ik nu nog aan het lezen ben: “Een klein leven” van Vasili Grossman. Mooi uitgegeven kortverhalen van de schrijver die als Oekraïense Jood de terreur van Stalin in de jaren 1930 overleefde, en als journalist furore maakte door tijdens het beleg van Stalingrad en de herovering van gebied op de Duitsers mee optrok met de voorwacht van het Russische leger. Zijn magistrale meerlagige roman "Leven en Lot" blies me vorig jaar al van mijn sokken. Hetzelfde geldt voor de verhalen die ik nu lees, met aanvullend interessante commentaar van de uitgever. Grossman, wiens eigen moeder in 1941 door nazi’s was vermoord, trekt als een van de eersten het vernietigingskamp van Treblinka binnen en brengt verslag uit over de gruwel daar. Dit huiveringwekkend relaas zal zelfs gebruikt worden bij de berechtiging van nazi’s op de processen van Nürnberg.

Hevige verhalen in de drie (eigenlijk vier – Blunden meegerekend) boeken die ik noem. Weinig fictie in elk geval. Mijn voorkeur gaat nu eenmaal eerder uit naar geschiedenis, de realiteit door de ogen van de tijdgenoot (Blunden, Grossman), de betrokkene (Rosenberg), de historicus (Clark). Hun realiteiten ontroeren, verbijsteren, intrigeren me meer dan fictie. Het leven is bij momenten al onwaarschijnlijk genoeg. Maar, omdat je daar nu eenmaal niet vrolijk van wordt, is het misschien beter ook om hier gedoseerd, met mate en niet te snel na elkaar te lezen. Zoals Seneca ooit schreef: “Wie overal is, is nergens”, waarmee hij bedoelde dat teveel lezen de aandacht verstrooit en de lezer weinig baat oplevert. Zijn advies: beter een paar boeken waar je veel kan uithalen, en die tijd krijgen om te bezinken. Zoals in dit lijstje.