Schudden aan het verleden

Pas toch op, de tijd verstrijkt. De tijd
verwijdert zich. De tijd is niet te vertrouwen.
Er ligt een schreeuw van schrik tussen nu
en toen.
Ik zou zo graag es even aan het verleden
willen schudden, maar dat kan niet. Je
gaat toch ook niet staan schudden aan een rots.
Die blijft liggen waar ie ligt.
Het verleden is veel te lang geleden, het is
een schande.

Eind augustus, toen het land verdronk in regen en de wolken zo laag hingen dat je ze bijna kon aanraken, reed ik met een vriend naar Oud-Amelisweerd, iets ten oosten van Utrecht. Voor hem ging het om een blij weerzien met, voor mij was dit een ontdekkingstocht naar het werk van de gevierde Nederlandse kunstenaar Armando, enkele weken geleden 85 geworden. In dit gehucht van Bunnik staat een fraai landhuis, voormalige woonplaats van onder anderen de heel even koning Lodewijk Napoleon (van 1808 tot 1810), jongere broer van. Twee jaar nu wordt het beheerd door de Stichting Museum Oud Amelisweerd. In dit voorjaar volgde de openstelling voor het publiek, met als grote blikvanger een verzameling werken van de misschien grootste nog levende Nederlandse kunstenaar.

Armando was voor mij een openbaring. Natuurlijk was er dat gedicht van hem in groot formaat op de zijgevel van het Lokerse museum, een ironische commentaar op ‘museum’ als vergaarbak van ‘ouwe troep’, waar je alleen maar binnenstapt om te schuilen voor te veel regen, of zoiets. Een vorm van ironie waar ik wel van hou, en die je bijvoorbeeld ook terugvindt in een gedicht ‘In het museum’ van de dichteres en ooit Nobelprijswinnaar Wislawa Szymborska. ‘Bij gebrek aan eeuwigheid bracht men / hier tienduizend oude dingen bij elkaar.’

Een openbaring dus. Zijn grote expressieve en recent heel kleurrijke doeken, met een haast geplamuurde voorstelling van een soms sombere, soms vrolijke werkelijkheid verbluften. Zijn zwart geborstelde commentaren op het naoorlogse Duitsland evenzeer. Enkele weken later probeerden zowel mijn krant (NRC-Handelsblad) als De Groene Amsterdammer elkaar trouwens de loef af te steken in huldeblijken voor de jarige (met de prijs voor het mooiste artikel/essay voor Cees Nootenboom in De Groene).

Op de zolder van het landgoed was een heuse Armandobibliotheek ingericht. Al zijn publicaties, en dat waren er zo te zien heel wat, netjes naast elkaar. Met zeteltjes er tussenin, om comfortabel aan het lezen te kunnen gaan en van het ene boek naar het andere te rollen. In een vitrinekastje, in hanig handschrift, het tekstje van hierboven. Ik vond het zo mooi mysterieus dat ik het overschreef. Om te bewaren, ‘nog iets mee te doen’. Zoals nu hier. Waar ik vooral voor viel, is voor dat mooi enjamberende zinnetje ‘Er ligt een schreeuw van schrik tussen nu / en toen.’ De schreeuw die klinkt in de kloof tussen het ene en het andere vers, in de echoput van de pijnlijk voorbije tijd. Het kan misschien ook als motto dienen voor de studies geschiedenis die ik aanvatte en waarvan het nieuwe academiejaar al wat lessen ver is. Ik wou ook zo graag eens aan het verleden schudden, toen ik me vorig jaar aan de universiteit inschreef. En kom nu, terwijl ik me door 17de-eeuwse handgeschreven resolutieboeken van de Staten van Vlaanderen worstel voor een opdracht heuristiek vroegmoderne tijden, geleidelijk tot het besef dat dit niet echt kan lukken, dat het verleden veel te lang geleden is. Het is lastig schudden aan een rots van vele eeuwen terug. Is dit een schande? Dát weet ik nog zo niet. En als het al een schande is, dan toch een fascinerende, die je doet blozen van inspanning en genot (?), getroost door het vers van Armando.