Mensenlandschappen

We hadden een kleine week achter de rug in Le Couvent de Neuviale, een tot B&B omgetoverd (en ‘toveren’ mag hier letterlijk genomen worden) voormalig kostschooltje in een landschappelijke plooi tussen Cahors en Montauban. Alhoewel, B&B is een te schamele naam voor het gastenverblijf dat Lieve (de gastvrouw haar naam zelve) en Marc er uitbaten. Je vindt er veel meer dan een bed en ontbijt: een warm onthaal, een verrukkelijke avondtafel en een schitterend decor, gedeeld met gasten in een aangename want in tijd beperkte toevalligheid van ontmoeting. Het zwembad bovendien was pure luxe, waar zelfs ik, die niet meteen van waterliefde kan verdacht worden, graag even in wegzonk, gekneld in de onmodieus strakke zwemslip die ik tot verbijstering van mijn huisgenoten nog had opgediept uit de erfgoedlagen van mijn kleerkast.

Met mensen is het vaak als met hun landschappen, was een gedachte die bij me opkwam tijdens de autorit die ons daarna naar de Spaanse Pyreneeën voerde. Aan onze gastheer Marc was alles de volle rondheid van de streek gebleken, letterlijk en figuurlijk: van bril tot buik, van hartelijkheid en zwier, in gebaren en woorden. Deze mens paste bij, was zelfs het landschap van de streek. Ik mocht bij het afscheid iets in hun gastenboek schrijven en kwam niet verder dan een vers (“le pays qui te ressemble”) en een refrein (“Là, tout n’est ordre et beauté, luxe, calme et volupté”) van Baudelaire. Dit vatte, vond ik, alles samen. De uitstappen naar Moissac (romaans klooster en kerk, en Canal du Midi) en Albi (museum Toulouse-Lautrec), en de afdaling in de verbluffende grot van Pech Merle waren bijkomende mooie hoogtepunten van een eerste reisweek.

De overgang naar de Pyreneeën voltrok zich niet alleen in de taal, die haar rondheid verloor en hoekiger werd, cassanter ging klinken. Zoals de ruigten die links en rechts van de weg opdoken, de kloven waarin letters wegvielen. En al zeker wanneer het vertrouwde Frans overging in voor ons onverstaanbaar Spaans, met een gelispelde ‘s’ die aan slangengeritsel in het struikgewas deed denken. Ook de mensen uit de streek leken ruw en verweerd, en vooral oud. Het rimpelige stadje Graus een openbaar bejaardenhuis. De dorpelingen rond onze vakantiewoning keken immer stug en toen ik een van hen in beperkt Spaans de weg vroeg richting het wandelpad dat we wilden lopen, stuurde hij ons met een kort gebaar de brandnetels in. Mensen en landschappen leken elkaar ook hier aan te vullen. Uitzonderingen waren die jonge studente die ons in aandoenlijk Engels de geschiedenis van het kloostertje van Obarra uit de doeken deed, en een lieve aan Parkinson lijdende Franssprekende vrouw die ons in Villacarli op de goede weg zette tijdens een van onze wandeltochten. Nog: in Huesca sloegen de huidlooiende hitte én de economische crisis ons in het gezicht, met ruim de helft van de winkels gesloten en/of over te nemen En toch: de pure schoonheid van de streek, het samengaan van natuur en cultuur. De staptocht van Ordesa richting Monte Perdido, tussen steiltes, langs watervallen en met gieren cirkelend boven je hoofd, zal nog lang bijblijven. De romaanse kerkjes in Taüll, Sopeira en Roda de Isabeña, gebouwd langs de frontlijn van de eeuwenlange strijd tussen katholieken en Moren, zijn architecturale pareltjes, op even zoveel bedwelmende locaties. Ik kon me goed voorstellen hoe de militante Islam van de middeleeuwen hier doodliep in de kloven van dit hooggebergte, omsingeld door de guerrillero’s van het al even militante katholieke geloof. En hoe vanuit dit Aragon ooit de Reconquista begon. Die oorlogen van toen…

En die van vandaag. Terug thuis gaan mijn gedachten uit naar het onnoemelijke leed dat mensen in en boven oorlogsgebied treft. In Oekraïne en Gaza, Syrië en Irak. Ik las op reis het weergaloze boek ‘Slaapwandelaars – hoe Europa in 1914 ten oorlog trok’ van Christopher Clark. Hij beschrijft de algemene politieke verdwazing, de diplomatieke stugheid, het tunneldenken van alle Europese leiders, de neiging om verantwoordelijkheid en schuld altijd bij de andere te leggen, de leugens, het vasthouden aan militaire ‘logica’ en al die elementen die er toe bijdroegen dat de moord op Frans Ferdinand escaleerde tot de totale catastrofe. We zijn honderd jaar verder en niets lijkt veranderd. Wat – om die twee te noemen – Poetin en Netanyahu nu uitvreten, en hoe Europa en de Verenigde Staten hier selectief mee omgaan en onze eigen regering (hebben we die nog?) zwijgt, het doet me walgen. Wat herdenken we dus wanneer we deze dagen overal het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog herdenken?

Juli eindigde ook thuis met een zwarte rand door het overlijden van collega Eric Collewaert op de laatste dag van de maand. Dat hij een moeilijke strijd streed tegen een onverbiddelijke vijand wisten we. Dat hij ondanks alles zeer gehecht bleef aan het leven, ook. Twee collega’s verliezen op korte tijd, beiden 57 jaar oud, komt hard aan in onze kleine collegegemeenschap. Eric kende ik niet zo persoonlijk als Rolf, maar toch hadden we één ding gemeen: een muzikale voorkeur voor Pink Floyd, ik in mijn jonge jaren, hij blijvend. Ik schreef hem de voorbije maanden een kaartje met de voor hem vertrouwde muzikale boodschap “Shine on, you crazy diamond”. Het mocht niet zijn. Het licht van deze ‘zotte diamant’ doofde. Resten de stilte en het verdriet van het afscheid.

Tenslotte. Deze dagen hijsen vrienden en familie me op het verjaardagschild. De bescheiden opwinding die dit gebeuren ooit met zich meebracht, is me intussen vreemd. Het is nog altijd vakantie, de zon schijnt en straks eten we pizza, en taart. Kleine genoegens, die volstaan in een wrede wereld. Om het nogmaals met Pink Floyd te zeggen (uit het nummer ‘Eclipse’ van ‘The dark side of the moon’): “Everything under the sun is in tune, but the sun is eclipsed by the moon.”