Recht op luiheid

In 1880 schreef Paul Lafargue (1842-1911) een beroemd geworden essay met de prikkelende titel Droit à la paresse. Lafargue, overtuigd marxist én schoonzoon van de Karl zelf (getrouwd met diens dochter Laura) – ik heb niet kunnen achterhalen of hij eerst voor de dochter dan wel voor de vader viel –, neemt hierin de heersende liberale, conservatieve, christelijke en zelfs socialistische kijk op arbeid op de korrel. In zijn ogen proberen al deze ideologieën mensen in te schakelen in een systeem waarin ‘arbeid’ de dominante zingevingsfactor is, en dat met als enige bedoeling om hen te knechten, van hen ‘slaven’ te maken. Burgers die willen werken voor geld, poneert hij, degraderen zichzelf tot slaven (dit heeft hij bij Cicero gehaald, maar die had natuurlijk slaven die zich voor hem uitsloofden). Tegenover het primaat van ‘recht op werk’ stelt hij polemisch het ‘recht op luiheid’ en argumenteert dat luiheid, in combinatie met creativiteit, een belangrijke bron is van menselijke vooruitgang.

Prettig gestoord, die Lafargue. Niet dat ik me in wat ik doe geknecht voel en door zijn anarcho-marxistische kijk op de werkelijkheid aangesproken word, maar zijn opvattingen over luiheid als motor van creatieve vooruitgang vind ik wél zeer behartenswaardig en adopteer ik gretig. Schoolboeken toe. Examens afgenomen, collega’s en leerlingen uitgewuifd. Zelf examens afgelegd, met onverhoopt gevolg (voor de nieuwsgierigen onder jullie: een 17 voor geschiedenis van de Nederlanden, een 18 voor Historiografische Tendenzen). Jaarboek van de Oudheidkundige Kring geredigeerd en bij de drukker aangeleverd. De politieke schuif gesloten. Vandaag laat ik al het gedachtelijke werk voor wat het is, heb cursussen ingepakt, dozen gevuld met overbodig geworden papier en nog wat versleten boeken. De luiheid had me de voorbije dagen al in haar greep en vanaf morgen geef ik me er volledig aan over. Dolce far niente. Ook op deze blogsite. Tijdelijk geen geschrijf meer. Hooguit wat lezen, wandelen, fietsen, wijn drinken, en zelfs een beetje zwemmen. Op mijn lui gat naar de koers zitten kijken. Of naar de zwaluwen in de avondlucht, boven een stemmig Frans dorpspleintje. Naar de zon die ondergaat achter de bergen. En daarna de ogen kunnen dichtdoen zonder te denken aan wat de dag erna allemaal moet. Toostend op Paul Lafargue en het recht op luiheid.