Invitation au voyage

Leerkrachten zijn reislustige wezens. De wereld heeft voor hen al lang geen geheimen meer. Talrijk de collega’s die op hoge toppen stonden, verre zeeën bevoeren of eenzame woestijnen minder eenzaam maakten. Naarmate de dagen langer werden, gonsde het in de leraarskamer steeds luider van de meest exotische bestemmingen. Cultuur of natuur, alleen of in groep, met de auto, de fiets of het vliegtuig. Avontuurlijk of voorzichtig. Of gewoon thuis, in sedentair genot. De verscheidenheid is groot. Ik hou het dit jaar braaf op (andermaal) Frankrijk en (nieuw) een stukje Pyreneeën.

Meteen na het laatste belteken, en dat klinkt dit jaar uitzonderlijk vroeg, op 27 juni, zal het merendeel zich storten op het pakken van koffers. Weg van de school, weg van Lokeren en omstreken, om het allemaal eindelijk eens van op een afstand te bekijken, zoals in liefdesrelaties die aan herbronning toe zijn. De school liet zich dit jaar inderdaad lastig beminnen, was een veeleisende partner. Emoties bij een onverwacht afscheid. Niet alles liep altijd vlot. Redenen genoeg voor ergernis. Net iets teveel leerlingen met matige interesse en inzet, maar wel ruime eigendunk. Natuurlijk doe ik mijn werk graag en zijn er onder collega’s én leerlingen schatten die je het genoegen van de job schenken, maar een tijdelijke scheiding van bord en bank en schoolvolk zal toch deugd doen.

A school is a factory is a poem is a prison is academia is boredom with flashes of panic. Voor deze en nog andere zinnen kreeg Joseph Brodsky in 1987 de Nobelprijs literatuur. Natuurlijk vertolkt hij er in het wondermooie essay ‘Less than one’ het standpunt van de verveelde leerling mee die hij was in het Sint-Petersburg van de late jaren 1940 (de poëzie droomde hij onder de rokken van een jonge vrouwelijke leerkracht), maar toch kan deze zin ook de leraar van vandaag aanspreken. School als fabriek, als verveling, maar ook als gedicht. Voorwaarde voor dat laatste in mijn ogen is een volgehouden vermogen tot reizen.

Ik denk daarbij niet zozeer aan de globetrotters onder ons, die zich in een nostalgisch moment aan een verre bar, met de zon in hun glas wijn, in herinnering laten meevoeren naar hun klas, hun leerlingen, de collega’s. Die met de ogen dicht speelplaatsgeluiden dromen aan de rand van een zwembad. En dan alleen vaag kunnen vermoeden hoe de school tijdens de hondsdagen stoffige hitte is en droeve rust. Het gaat me niet om die twee, drie of vier weken van zelfgekozen nomadendom. Het reizen dat ik bedoel, is het reizen dat ons toelaat de intense maanden van het schooljaar zelf te overleven. Het vermogen tot reizen tussen de twee oren. Tot reizen naar binnen, naar een ‘binnentuin’. Nu staat ‘binnentuin’ wel niet in Van Dale, ongetwijfeld omdat een tuin zich buiten hoort te bevinden, maar toch ga ik ervan uit dat het woord zijn bestaansrecht heeft.

Of leraren de school overleven en eventueel als poëzie kunnen ervaren, wordt grotendeels bepaald door de reizen die ze kunnen maken naar hun innerlijke tuin, en de rijkdom ervan. Zoals de reis waartoe Baudelaire in het gedicht Invitation au voyage zijn geliefde uitnodigt. En, zoveel hoofden, zoveel tuinen. Bij de ene vind je een geometrisch strakke, volgens de principes van het plastisch getal, bij de andere een verwilderd oerwoud, waar de gedachten zich in lianen rond de bomen slingeren. De ene heeft een Engelse bloementuin onder de bloes, de andere een geharkte Japanse rotstuin vol symboliek en filosofische connotaties. Nog anderen zijn gelukkig zich te kunnen neervlijen in een malse gazon, onder een rijpe boomgaard of tussen de wassende sla. Maakt allemaal niet uit, als de goed bevonden rijkdom van je eigen tuin je arbeid maar inhoud kan geven, en rust en vertroosting biedt. Ik heb dit schooljaar, toegegeven, vele dergelijke reizen gemaakt, moeten maken, om het te blijven volhouden. En nu wenkt eindelijk de vakantie, met een ‘echte’ reis, maar ook met tijd om mijn 'jardin intérieur' bij te werken.