Wit, geel en zwart

Ik beken. Ik was een van die twintigduizend die vorige zaterdag de Lokerse helft van het Koning Boudewijnstadion in Brussel vulden voor de bekerfinale. Met een stoet van bussen, cafés op wielen zeg maar, aan een tempo van één pintje per 15 kilometer. Zelden ook zoveel gezellige zatlappen bijeen gezien als in ‘Lokeren Village’. ‘Lokeren Dorp’ had toepasselijker geklonken, afgaande op al die bekenden die je er tegen het wankele en lallende lijf liep. Maar ik beken. Ik heb net als alle anderen gezwaaid met het Sportingvlagje dat in mijn zitje klaar stak en ben mee recht geveerd om te juichen voor een doelpunt dat ik eigenlijk niet gezien had, omdat ik niet aan het opletten was. Het spel was flauw, de avond koud, maar de sfeer opperbest, en steeds beter naarmate het eindsignaal in zicht kwam. ‘We’ hadden gewonnen, een mooi ‘totum pro parte’, een stijlfiguur waarbij het geheel (minstens half Lokeren) telde voor een heel klein deel (een dozijn voetballers). Net zoals ‘we’ trouwens deze zomer ook naar Brazilië gaan, al wordt het dan voor mij en de mijnen Frankrijk.

Ik herlas deze week kniesoor Plinius, een niet onverdienstelijk Latijns auteur uit de late eerste eeuw na Christus, die in een briefje aan ene Calvisius afgeeft op diegenen die in zijn Rome te hoop lopen voor de wagenrennen en supporteren voor in zijn ogen weinig meer dan ‘een gekleurde vod’. Ik citeer hem enigszins vrij: “Ik heb mijn tijd zeer aangenaam en in alle rust doorgebracht tussen de boeken. Het waren wel spelen in Rome, een vorm van spektakel dat me helemaal niet kan boeien. Altijd hetzelfde. Als je het eenmaal hebt gezien, heb je het voor altijd gezien. Ik verbaas me erover dat zovele mensen hiervoor warm lopen. Ze juichen voor een lap stof, houden van een lap stof, en als de rijders tijdens de wedstrijd zelf van kleur zouden wisselen, zouden de voorkeuren van de supporters mee wisselen. Dat van een schamel kleurig truitje zoveel aanzien, zoveel gezag uitgaat, kan ik nog aannemen van het gewone volk, maar dat ook mensen met aanzien zich hier zo laten gaan, neen, dat wil er bij mij niet in. Ik geniet ervan dat ik door dit genot niet aangesproken word. En dus breng ik mijn dagen nu door met schrijven, terwijl anderen hun tijd verdoen met onnozelheden.”

Trekt boekenwurm en schrijver Plinius zijn neus op voor de populairste sport van zijn tijd, ik heb er geen moeite mee toe te geven dat ik me kostelijk geamuseerd heb, daar in Brussel. Het was aandoenlijk, al die supporters, als Papoea's op oorlogspad, gekleed en beschilderd te zien in hun tribale wit, geel en zwart (waarbij ik in mijn warme groene jas een beetje uit de toon viel). Hoe ze opgingen in het spelletje en oprecht gelukkig waren met de overwinning van ‘hun’ ploeg… En wat waren die van Waregem stil. Ze mochten dan deze week wel Obama over de vloer gekregen hebben, ‘wij’ hadden toch maar de voetbalbeker, ha!

Voor een goed begrip: mijn respect gaat nog altijd eerder uit naar het harde métier van de wielrenner dan voor de korte flitsen van de balkunstenaar. Anderhalf uur achter een bal aanlopen weegt niet op tegen zeven uur beuken op de fiets, in weer en wind. Zelf fiets ik nog altijd liever naar het Sint-Pietersplein in Gent voor de start van de Omloop Het Nieuwsblad dan naar Daknam voor een voetbalwedstrijd. Ik kijk nog altijd liever naar de finale van een wielerklassieker of een rit uit de Tour de France, dan naar een match uit de Jupiler - of zelfs Gazprom (aka Champions) League. Maar, als Lokeren ooit nog eens een voetbalbekerfinale speelt, ga ik weer mee, zeker weten. En zal ik opnieuw met een wit-geel-zwart vlagje zwaaien. Olé, o-olé-é-é, o-o-lé!