Zelfje

‘Ontvrienden’, ‘tentslet’, ‘stoeproken’, ‘frietchinees’, en nu dus ‘selfie’. Allemaal ‘Woorden van het Jaar’, van 2009 tot 2013. ‘Selfie’ haalde het in de meest recente editie van de woordenwedstrijd bij ons ruim vóór ‘belbos’ en ‘geefkast’. Dat ‘belbos’ vond ik zelf wel aardig: een met de opbrengst van oude gsm-toestellen bijeen gespaard bos. 10.000 toestellen waren vorig jaar goed voor een vijftal hectaren nieuwe aanplant. Ik kreeg meerdere mails van de rode broeders en zusters van initiatiefnemer Curieus die opriepen om voor dit woord te stemmen (misschien een suggestie voor een nieuw woord in 2014: ‘spam’: intensieve mailing vanuit spa-hoek). ‘Geefkast’ vond ik dan maar niets. Een kast op straat, waar je eigen overtollige spullen kan in achterlaten voor anderen. Een properder versie van sluikstorten, zeg maar. Niet alleen bij ons, maar ook in Engeland en Nederland scoorde ‘selfie’ het hoogst. De kans dat dit woord een taalblijver wordt, is dus groot. Dat in tegenstelling tot woorden die de voorbije jaren opdoken, maar stilletjes en gelukkig voorbijhypten. Zoals de ‘frietchinees’ van vorig jaar, waar niets meer van vernomen is, of de ‘pedopriester’ als nummer twee van 2010 en 2011, waarrond het (gelukkig) heel stil werd.

‘Selfie’ dus. Volgens Van Dale ‘een fotografisch zelfportret, vaak gemaakt met de camera op armlengte en gepubliceerd op een sociaalnetwerksite’. Zelfs de groten der aarden, zoals paus Franciscus en Barack Obama, doen het, bleek onlangs. Jongeren schijnen er wild van te zijn. Kranten staan vol met bizarre en soms zelfs pikante varianten. Mij, geen bezitter van i- of smartphone, is dit fotofenomeen vreemd. Kees van Kootens ‘selfie’-variant ‘otofoto’ dan? Hij ergert zich in een prettig filmpje op Youtube (‘Jijbuis’) immers mateloos: “Ik vind het woord verschrikkelijk. Het is misschien het anglicisme van het jaar, maar als woord van het jaar? Dit is een kruispunt. Dat voor het eerst een Engels woord het Nederlandse ‘Woord van het Jaar’ is geworden, is heel raar.” Waarop hij als alternatief ‘otofoto’ naar voor schuift. Maar waarom van dat Engelse ‘selfie’ dan geen ‘zelfje’ maken? Niet dat ik zo’n Vlaamse taalpurist ben, maar ‘zelfje’ heeft iets luchtigers, zweverigs in zich, vind ik. Helemaal geschikt voor het zeer momentane, zeer oppervlakkige van een foto van jezelf op wisselende plaatsen, in wisselende omstandigheden en met wisselend gezelschap. En het verkleinwoord ‘zelfje’ relativeert de waarde ervan al helemaal. Hoe overzie je al die gemaakte ‘selfies’ trouwens op de duur? Bewaar je die ergens? En waar dan? En wat doe je ermee na verloop van tijd?

Ik zat bovendien te denken dat zelfportretten maken op armlengte en publiceren voor een ruim publiek zeker geen nieuwe en originele bezigheid is. Michel de Montaigne (1533-1592) deed het ons voor in zijn magistraal werk Essais, met zijn pen op armlengte, en voor zijn eigen sociaal netwerk van geïnteresseerde lezers. Ik bewonder Montaigne zeer, om meerdere redenen, en bezocht in het laatste decennium een drietal keren zijn kasteel, met de beroemde toren waar hij zijn werkkamer had ingericht (op de zolderbalken allerlei wijze spreuken om de schrijver ‘bij de (nederige) les te houden’).

Montaignes geschriften passen helemaal in het plaatje van de ‘selfie’ en hij wordt bovendien algemeen gezien als de uitvinder van het genre. Op de openingsbladzijde van zijn boek richt hij zich tot de lezer: “Ik wil dat men mij in mijn gewone doen ziet, eenvoudig en natuurlijk, zonder gezochtheid en gekunsteldheid, want ik beschrijf mezelf. Had ik in een van de landen geleefd waar, zoals dat heet, de zoete vrijheid van de oorspronkelijke natuurwetten nog heerst, dan had ik me heel graag, dat kan ik u verzekeren, van top tot teen en volkomen naakt afgebeeld. Derhalve, lezer, ben ik zelf de enige stof van mijn boek.” Een verrassend en pittig ‘zelfje’, gedateerd op 1 maart 1580. Montaigne van top tot teen naakt voor de lezer? Bij de bespreking van diverse morele en filosofische vraagstukken vertrok hij steevast van datgene wat hij naar eigen zeggen best kende, namelijk zichzelf. En in de uitweiding en de anekdotiek gaat hij bovendien zeer ver, over zijn penis zelfs, en het laten van winden (voor hem het ironische bewijs van een rijk innerlijk leven). Dat was nieuw en werd in zijn tijd trouwens ook niet door iedereen op prijs gesteld (want ‘te dikkenekkerig’ of ‘te openhartig’), ook al leefde hij in een humanistische 16de eeuw waarin egodocumenten als brieven, dagboeken en autobiografieën hun opgang maakten.

Dat laatste heb ik uit de lessen vroegmoderne geschiedenis van het eerste semester, een vak waarvoor ik vorige week proefwerk aflegde in Gent. En zo wordt dit korte schrijven over ‘zelfportretten op armlengte om te publiceren’ en over de literaire ‘selfies’ van Montaigne, zelf ook een ‘zelfje’. Tegen een achtergrond van lichtjes gespannen uitkijken naar de behaalde examenpunten.