Hoofdveen

November was niet alleen weerkundig een zeer donkere maand, met slechts 28 uren zonneschijn, maar ook mijn geest somberde hevig door. In mijn zompig gedachtenveen liep ik keer op keer vast. Geen enkele zin haalde deze pagina en de paar uitzonderingen verdienden het meteen geschrapt te worden. December mocht dan wel zonniger zijn, met opnieuw het zachte gespin van oplopende kilowatts in de transformator aan mijn garagemuur, de schooldrukte liet evenmin weinig ruimte voor creatieve bespiegelingen.

Niet dat ik geen momenten van verbazing of opstoten van ergernis meer had die tot een stukje hadden kunnen leiden, maar het leek alsof er een kortsluiting had plaats gevonden tussen hoofd en hand. Het hoofd vol, de hand slap, de pen log. Tot de schaarse aangename uren reken ik graag dat avondje doormopperen met Benno Barnard, aan de toog van café De Donkere Wolk na een door hem in Lokeren gehouden causerie. Een aardige man, van het soort progressief conservatisme dat me wel aanspreekt. We hadden het over de Engelse country-side, de dichter Auden en hedendaagse kindernamen. Hij zag in de vaak lukraak bijeen gescrabbelde pseudo-originele namen van kinderen een bewijs van de teloorgang van tradities, een nakende Untergang des Abendlandes. “En Benno dan?”, vroeg ik hem voorzichtig. Een koosnaam voor Benjamin, bleek, en dus wel degelijk door de een Bijbelse traditie gelegitimeerd!

En ergernissen? Ze verdampten veelal snel, na enkele dagen of uren zelfs, en raakten vergeten. Korte bevliegingen, zoals over het royaal (letterlijk: koninklijk) toekennen van gratie aan verkeersovertreders (waarom geen gratie aan die twee Afghaanse jongens die men het voorbije jaar o zo kordaat had teruggestuurd naar Kabul?).

Voor het overige: mijn hoofd drassige turfgrond, een moer. Het verdriet, de nieuwsflarden, de boeken van de voorbije weken (erg genoten van Goncourtwinnaar Pierre Lemaitres Au revoir là-haut) bezonken en stierven af in mijn geestelijke ondiepten. Vormden er gistende lagen van hersenturf, ter ontginning als brandstof voor mijn schrijven. Zoals de dit jaar overleden dichter Seamus Heaney in dat rijke gedicht Digging, waar hij zich inschrijft in de traditie van zijn turf spittende grootvader en zijn aardappellen stekende vader, maar de spade geruild heeft voor de pen: “Between my finger and my thumb, the squat pen rests. I’ll dig with it.”

Brandstof voor verontwaardiging zelfs. De steeds schrijnender wordende sociale en fiscale onrechtvaardigheid in dit land, waar je blijkbaar maar beter honderdduizenden of miljoenen euro’s rooft, dan enkele honderden. In het eerste geval kan je nu de straf afkopen, iets regelen met belastingdiensten of je zaak met de hulp van procedureadvocaten (met de nadruk op dat ‘dure’) al helemaal in de juridische vergeetput doen belanden, in het andere geval wacht de deurwaarder of de gevangenis. Voor oud-managers van het jaar, CEO’s van banken of sjoemelende Eurocommissarissen geen plaats in de cel. En dan deze neoliberale kardinalen maar prediken dat de overheid moet besparen, ‘boven zijn stand leeft’ en dat dus de dienstverlening aan de gewone burger moet worden teruggeschroefd. Kropotkin, een theoretisch anarchist, publiceerde in 1902 Mutual Aid, een boek met een uitgangspunt dat nog altijd basis kan dienen voor een solidaire samenleving: “From each according to his means, to each according to his needs.” Maar als de balans aan de bijdragenzijde uit evenwicht raakt, wordt het voor een samenleving op termijn onhoudbaar om in te staan voor de noden van het geheel. En dit door dagelijkse berichtgeving bevestigd onrecht doet het vuur van mijn ergernis hoog oplaaien. Een vuur waarvan je evenwel niet echt warm wordt.

Als het turf van de verontwaardiging is opgebrand, rest de as van de melancholie. En dan doet het goed om terug te denken aan de mooie momenten van het voorbije jaar. Een daarvan is vastgelegd in een warme avondfoto, staande op de rand van een dal in het Ierse Glendalough (waarover ik eerder al schreef). Ik schreef er een korte tekst bij en wens al mijn lezers, al wie me dierbaar is, bij deze een vurig en warm 2014, voorbij het bijna uitgedoofde 2013.

We stonden deze zomer op de rand van een dal
de zon achter de uitgedoofde sintelbergen
een moment van warmte nog

de rust was breed en zelfs de wind
had niets meer te vertellen
de lucht verbleekte zacht
en onder ons twee meren

als vochtige ogen in een oud gezicht
met in hun donkerende blik
het sterven van de dag
de schaduw van de tijd

de onvermijdelijke tijd