Aeneas, vroeger en nu

Aeneas vroeger. Deze held uit de Trojaanse oorlog krijgt, op het moment dat Troje na tien jaar strijd door de Grieken wordt ingenomen, de opdracht van de goden om ergens ver weg een nieuwe stad te stichten. Hij vlucht de stad uit met zijn gezin, maar verliest onderweg zijn vrouw. Zijn onderneming leidt hem zeven jaren over zeeën en langs gevaren. In het zevende jaar vergaat hij bijna met zijn schip in een storm die wordt aangestookt door de godin Iuno, die Trojanen en dus ook Aeneas slecht gezind is. Hij strandt op de kust van Noord-Afrika en belandt met zijn kompanen in Carthago, waar hij goed ontvangen wordt door koningin-weduwe Dido en waar het uiteindelijk tot een affaire komt met haar. Op bevel van de goden verlaat hij Dido om naar Italië te varen. Ze pleegt zelfmoord wanneer ze zijn schip vanuit haar paleis op zee ziet. Na een korte oorlog tegen de Rutuliërs, beslecht in een tweegevecht met hun koning Turnus, vestigt Aeneas zich met zijn zoontje Ascanius, in Italië tot Iulus gedoopt, in een stad die hij noemt naar zijn nieuwe vrouw Lavinia. Van daaruit zal eerst Alba Longa gesticht worden en later Rome. Zo wordt de Trojaan Aeneas stamvader van de Romeinen. De Latijnse schrijver Vergilius voert in zijn epos Aeneïs de afkomst van keizer Augustus, telg van de gens Iulia, terug op deze legendarische held, én op zijn moeder, de godin Venus. Dit epos is een van de grote verhalen van de Europese literatuur en staat nog altijd op het programma van het vijfde jaar Latijn in ons middelbaar onderwijs.

Aeneas nu. In het kantoor van de vreemdelingenpolitie, ergens in midden-Italië. Een onderzoeksrechter ondervraagt een man die net betrapt werd op het plegen van een moord.

Meneer, wat is uw naam?
Ik heet Aeneas.
Geboorteplaats?
Troje, op de westkust van Turkije.
Wie waren je ouders?
Mijn vader was Anchises, mijn moeder de godin Venus.
Godin Venus? U maakt mij wat wijs? Mag ik u vragen om de waarheid te spreken en om dit verhoor niet in het belachelijke te trekken?
Maar het is de waarheid. U moet me geloven! Ze is de godin van de liefde…
Liefde? Liefdevol zou ik uw moorddadig optreden van vandaag niet meteen noemen. Beroep?
Held.
Hahaha! Mooie held, als ik u zo zie zitten! Vertel mij eerst eens hoe u hier terecht gekomen bent.
Mijn stad, Troje, is verwoest in een oorlog die vele mensen het leven kostte. Zelf kon ik met moeite en op het nippertje ontsnappen, met mijn zoontje Ascanius en mijn vader Anchises. Mijn vrouw Creüsa raakte ik kwijt tijdens de vlucht. Ik vond haar niet meer terug in de paniek en in grote stroom van vluchtelingen. Het was te gevaarlijk om terug te keren en haar te zoeken. Ik denk dat ze dood is. Er lagen enkele boten voor anker aan de kade, en ik kon voor mij, mijn vader en mijn zoontje een plaats bemachtigen, samen met wat vrienden. Zeven jaren hebben we op de Middellandse Zee rondgedreven. Van het ene eiland naar het andere vasteland. Nergens waren we welkom, konden we blijven. Vorig jaar kwamen we in een storm terecht, voor de kust van Libië. Ons schip verging bijna, maar we konden ons redden. Ziet u nu wat ik bedoel met ‘held’? We kwamen aan land, en daar werd ik opgevangen door Dido. Ze gaf me onderdak tijdens de winter en zorgde voor mij en mijn zoontje.
U trouwde met haar? Een schijnhuwelijk? Of was het … liefde? Daar weet u toch alles van?
Neen. Ik voelde me niet goed bij haar. Zij wou wel trouwen met mij, ze was weduwe en voor haar was ik na zovele jaren van eenzaamheid haar lang verwachte prins. Maar mijn toekomst lag niet in Noord-Afrika, maar in Italië. Ze wou me nog tegenhouden. We maakten ruzie en toen ik vertrok, pleegde ze zelfmoord.
En zo belandde u dan uiteindelijk in Italië? Als illegaal? En pleegde toen een moord…
De tocht was niet gemakkelijk. Mijn vader overleefde het niet. We gaven hem een zeemansgraf. Na enkele weken spoelden we aan op de kust van wat Latium bleek te zijn. Daar werd ik verliefd op Lavinia. Haar vader zag me trouwens wel zitten. Hij vond het niet erg dat ik al een zoontje had uit een ander huwelijk. Ik ben sterk en weet van aanpakken, en hij kon me gebruiken in zijn bedrijf. Maar haar moeder mocht me niet. De bende van haar jeugdvriendje Turnus begon lastig te doen. Hij had het niet voor vreemdelingen. Op een dag wachtten ze ons op. We vochten en hij doodde mijn vriend Pallas. Ik daagde hem uit voor een duel. Mijn eer dwong me daartoe. Ik doodde hem. Denk nu niet dat ik een traan om die smeerlap van een Turnus ga laten. Ik stond nog na te hijgen van het gevecht, toen de politie er aankwam. En nu zit ik hier. Wat gaat u met mij doen?
Meneer Aeneas, u wordt opgesloten en later komt u voor het gerecht. De rechters zullen oordelen. Ik kan niets voor u doen. De wet is de wet. Ik ben geen Romeins keizer die met de duim omhoog of omlaag over het lot van mensen beslist. Maar het is goed dat u hebt bekend. Misschien krijgt u dan wel een mildere straf. En na uw gevangenisstraf repatriëren we u wellicht terug naar uw land van herkomst.
Maar mijn land, mijn stad bestaan niet meer. Alles is verwoest, heb ik al gezegd. Ik heb alleen nog mijn zoontje Ascanius. Wat gaat er met hem gebeuren?
Voor minderjarigen, meneer Aeneas, hebben we andere regelingen. Trouwens, u noemde hem Ascanius? Zelf zegt hij dat zijn naam Iulus is. Een verschillende naam opgeven, is niet goed voor zijn dossier. Het maakt zijn verhaal alleen maar ongeloofwaardig.
Doe met mij wat je wil, maar kan hij dan geen asiel krijgen in Italië? Eventueel door adoptie? Lavinia wil dit misschien wel doen. Misschien kan hij hier een beroep leren, dit land zo een dienst bewijzen?
Asiel voor uw zoontje? U had asiel moeten aanvragen in het land waar u eerst hebt verbleven. En dat was niet Italië, maar in Noord-Afrika. Uw zoontje brengen we voorlopig alvast naar een opvangcentrum voor minderjarigen, hier in de buurt. Mijnheer Aeneas, ons verhoor zit er op. Agenten, sluit deze man op.