Kreupelhout – aan Philippe Van Cauteren, directeur van het S.M.A.K.

Beste Philippe (je ervaart recent toch geen druk om er Filip van te maken?),

Ik schrijf je graag deze brief over de Biënnale van Venetië, waarmee je het zo druk had toen we elkaar einde mei tegen het lijf liepen op de Vrijdagsmarkt in Gent. Het hele concept en de uitwerking van het werk van Berlinde De Bruyckere, en de teksten en foto’s in het begeleidende boek hebben me overrompeld op een manier waarop ik in kunstzaken de voorbije jaren maar zelden overrompeld ben geweest. Een onttakelde boom in een duistere ruimte. Takken en een stam die door een wassen boetsering aan menselijke botten en een romp, aan vlees en vet doen denken. En bundels van dekens die warmte en troost geven bij de pijn en in het lijden die het beeld oproept. Een pakkende metafoor voor de mens in al zijn kwetsbaarheid. Ik lees dat het lijden van de heilige Sebastiaan een grote rol speelde bij het tot stand komen van het werk. Ik lees dat Sebastiaan als pestheilige en Venetië een bijzondere band hebben. Ik hoop het ooit in Gent te kunnen zien, zoals jouw goede vriend Tom me vorig weekend liet verhopen. Venetië haal ik immers helaas niet.

Twee jaar geleden maakte ik een zware val met de fiets. Mijn sleutelbeen knakte als verdroogd kreupelhout, het bot versplinterde. Toen ik enkele maanden later vijftig werd, schreef ik mijn fysieke pijn en onmacht weg in een kleine tekst, als onderschrift bij de foto hierboven, gemaakt door mijn zoon, met enkele woorden van de filosoof Immanuel Kant als uitgangspunt: “Aus so krummem Holze, als woraus der Mensch gemacht ist, kann nichts ganz Gerades gezimmert werden.” Van hout zo krom als dat waarvan de mens is gemaakt, kan niets rechts getimmerd worden…

Sluitertijd

Een bos
naakt en onverborgen
niets is recht hier
het pad niet
de bomen
gewrongen naar de hemel

En wij dan
doen en denken
lijf en leden
uit hetzelfde hout gegroeid
dat kromme hout

ik sluit de ogen
in deze bocht
een halve eeuw voorbij

Zijn we niet allemaal ‘krom hout, naar de hemel gewrongen’? Is de heilige Sebastiaan, gekromd van de pijn bij zijn marteling, geen zinnebeeld voor de mens? Is het aanmatigend om de woorden van Kant te betrekken op het werk van Berlinde De Bruyckere? Als je vindt van niet, moet je haar misschien dit citaat eens bezorgen? Als ze dat op prijs zou stellen, tenminste. Ik wil me geenszins opdringen. Maar misschien begrijp je nu al ten dele waarom dit werk nu zoveel indruk op me maakt.

Het begeleidend essay van Herman Parret heb ik aandachtig gelezen. Alleen miste ik tussen alle ronkende schrijversnamen uit een ver en dichtbij verleden de mij zeer dierbare Joseph Brodsky. In 1989 schreef hij zijn indrukken over Venetië bijeen in een prachtig boekje, met als titel ‘Kade der ongeneeslijken’. Ik ontleen het je graag bij gelegenheid. De titel is een verwijzing naar het Ospedale degli Incurabili, waar nu de Venetiaanse Academie voor Schone Kunsten gehuisvest is, maar ook een metafoor voor de ongeneeslijke kwetsbaarheid van de mens in het algemeen en de hiervoor extra gevoelige kunstenaar in het bijzonder. Ik citeer hem (blz. 56-57): “Twee minuten later waren we bij de Fondamenta degli Incurabili. […] In die ‘Kade der Ongeneeslijken’ zit natuurlijk nog een nagalm van de pest, van de epidemieën die met de regelmaat van de volksteller eeuw na eeuw de halve stad schoonveegden. De naam roept het beeld op van de hopeloze gevallen, die niet eens meer rondschuifelden maar her en der verspreid lagen op de plavuizen en in doodskleed gewikkeld de geest gaven, klaar voor – letterlijk – hun uitvaart, per boot. Toortsen, rook, gazen maskers tegen het inademen van de dampen, het ruisen van monnikspijen en –habijten, hoog oprijzende zwarte kappen, kaarsen. […] Tel hierbij op: tuberculeuze dichters en componisten; tel hierbij op: mannen met de overtuigingen van een zwakzinnige of estheten die hopeloos verliefd zijn op deze stad – en de kade zou zijn naam wel eens met recht kunnen dragen, de werkelijkheid zou de taal wel eens kunnen hebben ingehaald.” De in 1996 overleden Brodsky werd zelf vanop de kade van Venetië verscheept naar het dodeneiland San Michele en er begraven. Enkele bladzijden eerder heeft hij het ook over bakstenen die zichtbaar werden onder de aangetaste gevels van de stad: “… de voorliefde voor baksteen hier, voor dat vette rood – het rood van ontstoken spierweefsel – dat onder afgebladderde stuc-korsten vandaan komt. […] Er is met baksteen en metselwerk iets wat doet denken aan een variant op vlees, geen rauw vlees natuurlijk, maar wel helder rood en opgebouwd uit kleine, identieke celletjes. Ook weer een zelfportret van de menselijke soort op elementair niveau, als muur of schoorsteen.” Hetzelfde baksteenrood dat doorbreekt in de takken van Kreupelhout? Het is moeilijk om bij het lezen van Brodsky niet te denken aan het werk van Berlinde De Bruyckere.

Tot slot wou ik ook nog een korte bedenking kwijt over het literaire aandeel van J.M. Coetzee in haar werk. Ik hou van de boeken van Coetzee (net zoals ik hou van het werk van Berlinde De Bruyckere trouwens) en heb me net zijn biografie gekocht. Wachten op de barbaren en In ongenade zijn absolute literaire hoogtepunten. Wat ik in zijn verhaal van De oude vrouw en de katten zo mooi vind, is het mededogen waarmee hij over de oude Elisabeth en haar huisgenoot Pablo schrijft. En dit sluit mijns inziens helemaal aan bij de enige manier waarop we naar de kwetsbare, gevilde mens in de gevelde olm van De Bruyckere kunnen kijken. Met mededogen. Een woord dat in deze harde en cynische tijden zeldzaam en daarom van grote waarde is. De woorden van Coetzee in zijn kortverhaal zijn als de dekens van De Bruyckere. Coetzee laat de lezer met mededogen kijken naar een oude vrouw die stilaan onthecht raakt van de wereld en zich ontfermt over Pablo, de outcast van het dorp, zoals we ook naar de boom/Sebastiaan met mededogen moeten kijken, omdat we naar onszelf kijken. Mededogen is trouwens iets wat we ook kunnen leren van de Griekse tragedieschrijvers die mij zo dierbaar zijn, maar daarover wil ik het hier niet hebben. Dat De Bruyckere en Coetzee dit in wezen tragisch mededogen als zo verschillende maar toch blijkbaar gelijkgestemde kunstenaars in dit project zo hebben kunnen verbeelden en verwoorden, heeft me diep ontroerd. En vandaar dus mijn oprechte bewondering voor jou en jouw mensen voor de realisatie van zoveel moois.

Hartelijk,

Alain