Vijftig tinten groen, plus één

Onze keuze voor Ierland als vakantiebestemming ontlokte bij vrienden en kennissen die vertrouwd zijn met dit eiland lyrische reacties, maar toch ook bezorgd reisadvies. Genoeg regenkledij meenemen! Warme pulls zijn geen overbodige luxe! Iemand had er zelfs ooit tijdens zijn juliverlof alle denkbare vormen van regen ondergaan: schuine van links, schuine van rechts, zachte, harde, miezerige, dikke, verticale en horizontale. Het mocht dan wel het eerste land zijn dat ik bezocht waar de Romeinen nooit waren geweest, in hun teksten noemen ze het wel enigszins onheilspellend ‘Hibernia’, ‘waar het altijd winter is’. Voor ons niets van dat alles. Wij kwamen aan (na een nachtelijke boottocht vanuit Cherbourg) in de uitloper van een hittegolf. In de bijna veertien dagen dat we er waren, zou het welgeteld twee halve dagen regenen. Een zomer zoals de Ieren die in geen twintig jaar meer gekend hadden. Zelfs het gras begon ros te kleuren, zei onze huisbaas in Killarney ons terwijl hij sip staarde naar zijn verdorde gazon.

Wat maakt velen trouwens zo enthousiast over dit land, in oppervlakte meer dan dubbel zo groot als België, maar met amper vier miljoen inwoners? De groene weidsheid, de adembenemende kustlijn, de vlucht van de wolken? Het besef zich aan de uiterste rand van Europa te bevinden, waar zich voor je eigen ogen de Atlantische hoge- en lagedrukgebieden vormen die het Belgische weer bepalen? De eenvoud, de bescheidenheid, het ongekunstelde van de dagelijkse omgang met ‘how are you?’ als alledaagse groet? Nauwelijks verkeer ook, langs de smalle en nog smallere wegen. Een verademing, letterlijk en figuurlijk, in vergelijking met ons Vlaanderen dat vol, te vol is, van auto’s, mensen en zichzelf.

Mijn hoogtepunten? De vallei van Glendalough (letterlijk: vallei van de twee meren) in de Wicklow Moutains, met een romantische monastieke site annex Keltische begraafplaats. De vroegmiddeleeuwse rotsburcht van Cashel, op de weg van Dublin naar Killarney. Het havenstadje Dingle, startpunt van een tocht naar de steile klippenkust van Slea Head. Lady’s View, een wondermooie halteplaats op de fameuze Ring of Kerry, waar vijftig tinten groen een vallei kleuren die zo had kunnen dienen als filmlocatie voor de Shire van de Hobbits. En tenslotte de door woeste wateren omspoelde ruige puntrots van Great Skellig, tussen 600 en 1200 na Christus een ver en onherbergzaam toevluchtsoord voor monniken en nu vooral een zomerse broedplaats voor duizenden vrolijk knorrende papegaaiduikertjes.

Uitvaren deden we daarvoor in het haventje van Portmagee, in een vissersbootje met een vermetele kapitein, die, niettegenstaande het rotslechte weer van die woensdagvoormiddag en het afhaken van al zijn varende collega’s, als enige toch de overtocht wou wagen. Boothoge golven en striemend natte wind maakten van de heenreis, die normaal een uurtje duurt, een bijna drie uur durende beproeving, waarbij ik aan de vijftig tinten Iers groen nog een extra tint toevoegde. De luidbruisende zee een soep van vloeibaar lood. Hangend over de reling aanriep ik, vanuit mijn eigen onvermoede diepten, God en al zijn heiligen. De profundis, Domine! Voor een tochtje met een pedalo op het Donkmeer moet men bovendien een reddingsvest aan, maar niet op onze klotsende sloep met overslaande golven. “You’re a mighthy crew”, jubelde de stuurman meermaals van achter zijn roer. Jaja… De gids die ons opwachtte en 600 treden hoog naar de top van de rots loodste, hoorde ik aan de telefoon met het vasteland schreeuwen: “Only one boat has arrived, with some adventurers, some f*** idiots.” Maar eenmaal aan wal klaarde de hemel uit, trok mijn maag zich recht en wachtte de beloning voor al dat lijden: een fenomenaal uitzicht tussen duizelingwekkende klippen waartegen de oceaan grommend tekeer ging. Dat een slimme meeuw het broodje kaas dat ik toch probeerde naar binnen te krijgen, uit mijn handen griste, kon me amper wat schelen. Dit was wat men in het bezoekerscentrum aan land terecht de ‘Skellig Experience’ noemde. De terugweg, met ons bootje surfend boven op de golven en met meewind en een zee die wat bedaard was, verliep voor mij en mijn sloepgenoten gelukkig vlotter.

Om af te ronden nog wat losse gedachten. Mijn allereerste Guinness ooit, slap zwart bier met een slagroomgelijke schuimkraag, dronk ik op het terras van Kate Kearney’s Cottage, en een tweede de dag erna, bij een lekkere Ierse ‘stew’. Van de Carrauntoohil, Ierlands hoogste berg, zag ik wel de top, maar voor de steile slotklim pasten mijn knieën. De B&B Bramble Rock en The Wicklow Heather Restaurant in Laragh bij Glendalough zijn aanraders, net als An Canteen, het restaurant in Dingle waar ik mijn eerste mosselen van het seizoen at. Het Reklaamblad van Killarney bevat een hele bladzijde met religieuze adviezen van een lokale ‘reverend’, tot zelfs na te zeggen gebeden tot Jezus en Maria. Zie ik in Lokeren nog niet gebeuren, met de deken in De Streekkrant. Roodharigen maken slechts 4% uit van de Ierse bevolking, las ik in een gids. Bij ons thuis ligt dit percentage hoger. Links rijden valt best mee. Het meest westelijke oude kerkje van Europa, in Gallarus bij Dingle, dertien eeuwen oud, had een oost-west oriëntatie! De ‘shamrock’, het Iers nationaal symbool, zie je overal, zelfs als print op onderbroeken.

Kortom, geen twee weken waren we in Ierland en veel te kort naar mijn aanvoelen. Teveel bleef ongezien, zoals de Cliffs of Moher, het Burren National Park, Connemara en Dublin zelf. Teruggaan lijkt daarom onvermijdelijk. Beter niet te lang wachten. “That’s no country for old men”, dichtte de Ierse Nobelprijswinnaar William Butler Yeats over Ierland als aanhef in zijn van heimwee naar een ideale (en ideële) wereld vervuld ‘Sailing to Byzantium’. Laat voor mij (ons) maar snel een nieuw ‘Sailing to Ireland’ volgen.