Eerlijk heeft een prijs

Vorige maand was het 25 jaar geleden dat Paul Debbaut, mijn grootvader, overleed. Ik herinner me hem als een bon vivant die zijn laatste jaren sleet in een bejaardenhuis waar hij als voormalig cafébaas gekend en graag gezien was. Ooit gaf hij me in dat platte dialect van Sint-Niklaas met zijn zware a’s een even korte als eenvoudige wijsheid mee voor het leven: “Manneken, de wereld gaat kapot aan de drie g’s: ’t geloof, ’t geld en ’t gat”. Met dat laatste bedoelde hij lust en een labiele hormonenspiegel bij mannen en vrouwen, maar daar is het me hier en nu niet om te doen. Ik moest de voorbije weken aan zijn woorden denken, zowel door zijn overlijdensverjaardag als door nieuwsfeiten waarbij geld een (te) grote rol speelde.

Eerst was er dat dossier van Victor, het jongetje van zeven dat door farmagigant Alexion (met een jaarwinst in 2012 van bijna 200 miljoen dollar) werd gebruikt in een robbertje terugbetalingscatch met onze minister van Volksgezondheid. Natuurlijk is het fantastisch dat bedrijven investeren in het zoeken naar geneesmiddelen, ook voor zeldzame aandoeningen, en mogen ze winst maken om dit onderzoek te financieren, maar kinderen misbruiken in een pr-campagne ten einde de winsten nog hoger op te drijven, gaat wel heel ver, té ver denk ik.

En dan de instorting van de textielfabriek in Dhaka, Bangladesh. De tragische foto op de voorpagina van mijn NRC vorige week staat voor altijd op mijn netvlies gebrand. Tussen het gedeeltelijk geruimde puin zijn een man en een vrouw zichtbaar, overleden in elkaars armen, in een gruwelijke omhelzing. Ik moest aan de versteende mensen denken in Pompeï, na de vulkaanuitbarsting van 79 na Christus. Een foto van dezelfde verpletterende kracht als die van Nick Ut, met dat door napalm verbrande meisje in Vietnam. Een foto die de kracht heeft om iconisch te worden en meer zegt dan alle schone klerencampagnes met papier tot nu toe vermochten. Zelf ben ik meteen mijn kast ingedoken om te weten waar mijn kleren vandaan komen. Veel China, bleek, maar ook India en een enkele keer Portugal. Daarnaast ook kleren van onbestemde origine, wat mijn wantrouwen over de herkomst voedde.

Ik heb in mijn klassen al enkele malen gesteld dat de revolutie niet iets hoeft te zijn van grote manifesten of bevlogen ideologieën, maar ook op een heel persoonlijke en dus haalbare schaal kan. Ik koos als voorbeeld tot nu toe altijd ons voedsel. Als consument bewust kiezen wat op je bord belandt, waar het vandaan komt, hoe het werd geproduceerd en of de producent er een eerlijke prijs voor gekregen heeft: je hebt het toch wel enigszins in de hand. Als ik kies voor eerlijke producten uit de omgeving, zoals van Mich en Bé van de bioboerderij ’t Uilenbos op de grens van Eksaarde en Moerbeke, van bioslager Luc Meert, of de geitenkaasjes van ’t Eikenhof van Peter en Monique, doe ik dat vooral omdat ik een kleinschalige productie, een korte (transport)keten en een eerlijke omgang met grondstoffen, water en bodem voorsta. En dus bereid ben daarvoor een kleine meerprijs te betalen, dat ook. Boeren verdienen dat. De revolutie begint op ons bord.

Maar nu zal ik er moeten aan toevoegen dat de revolutie ook in onze kleerkast kan beginnen. Een broek voor 10 euro, een T-shirt voor 5 euro, sweaters voor dumpingprijzen? Of omgekeerd: sportschoenen voor 200 euro, waarvan amper een schijntje bij de arbeiders terecht komt? Het moet ons wantrouwen, onze verontwaardiging wekken. Ik geloof in de macht van de consument. Dat je ketens er toe kan bewegen om eerlijke lonen uit te keren aan mensen die ons kleden of schoeien. Kleren of schoenen met, waarom niet, een keurmerk als dat van Max Havelaar voor koffie. Iemand wierp vorige week op of we dan niet met zijn allen bereid wilden zijn om 40 eurocent meer te betalen. Ik wil best, maar misschien kunnen bedrijven dat minieme bedrag toch ook wel binnen hun winstmarges opvangen? Het hoeft toch niet allemaal enkel en alleen om geld en aandeelhouders te draaien? Laten we hopen dat die eenvoudige textielarbeiders in Bangladesh niet voor niets gestorven zijn en dat bedrijven – nu er scherpere controles lijken aan te komen – niet simpelweg verhuizen naar landen waar productie nog goedkoper kan, en controles op arbeidsomstandigheden en milieuregels onbestaande zijn. Willen we dit in de gaten houden, alsjeblieft?

PS. Met die vliegtuigtickets in Europa gaat het dezelfde richting uit, vind ik. Naar alle bestemmingen in de wijde omtrek willen vliegen voor 50 euro, maar wel een service eisen alsof we een tienvoud hiervan hadden betaald. Ik kan dus begrijpen dat die arbeiders op Zaventem vorige week vonden dat de maat vol was en staakten. Maak dat vliegtuigticket dus maar wat duurder, en verreken er de echte arbeids- en ecologische kosten in! Fair flight!