Seriewoordenaar

Bandwerk in woorden. Seriewoordenaar. November was vol, overvol van woorden. Bindteksten voor de voorstelling van de nieuwe scholenvzw in Lokeren. Met drie zoenen van Mieke Van Hecke (jawel, dé Mieke Van Hecke) als beloning. Teksten en interviews voor het schoolblad (over de droeve geschiedenis van een aan kroep gestorven leerling in 1907 en met een gedreven en authentieke Philippe Van Cauteren, oud-leerling en artistiek directeur van het SMAK in Gent). Zakelijk proza, in de vorm van verslagen van klassenraden en oudercontacten voor het leerlingvolgsysteem van de school. Een interview met Lieven Dehandschutter, goede kennis van me en toekomstig burgemeester van mijn geboortestad Sint-Niklaas, voor het boek over Nelly Maes. Een toespraak bij de voorstelling van het jaarboek van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, waarvan ik de eindredactie doe. In de mooi gerestaureerde neogotische kapel van de psychiatrische kliniek Sint-Lucia, voorwaar, in datzelfde Sint-Niklaas. Een passende locatie om tot inkeer te komen, vond ik, voor iemand die stilaan zot begon te draaien van een teveel aan taal.

En zo was er in de voorbije weken geen tijd meer over om deze blog bij te werken (maar alleen al met de opsomming van de ‘evenementen’ van de voorbije weken kom je een halve pagina ver…). En dus hebben mijn huisgenoten het de voorbije weken met wat meer van mijn zwijgen moeten stellen, wanneer ik het losgeslagen woordenhok barricadeerde, het (Homerische) hek van mijn tanden op elkaar hield, en stilte, stilte in mijn hoofd wou hebben. En daarom heb ik vorige week de eindredactie afgewimpeld van een boek over Lokerse ‘hofkes’, een lokale schamele bewoningsvorm met kleine, piepkleine huisjes uit vroeg-industriële tijden, vergelijkbaar met de Gentse cités. En zal ik de komende weken nog wel wat vergaderverantwoordelijkheden van me afschuiven. Als trop teveel wordt.

Il faut cultiver son jardin… Deze oproep uit Candide van Voltaire wil ik de volgende weken toepassen op mezelf. Ik wil van de winter gebruik maken om in mijn gedachtentuin te snoeien, te harken, te wieden. Het voorbije, afval van woorden, op een hoopje vegen of laten wegwaaien. Ik laat wel nog genoeg liggen om te composteren, voor latere teksten en verhalen. Zoals de bladeren van de enige boom in mijn stadstuin, een kersenboom, die zachtjes liggen te vergaan aan zijn wortels. Maar volgend jaar, weet ik, draagt hij wel opnieuw vrucht.