Op de wijze van A.D.

Ik wil, op de laatste lesdag van dit schooljaar, deze tekst opdragen aan al mijn leerlingen Grieks, die van vroeger, van nu en (hopelijk) ook van later. Aan al diegenen die zich, al was het maar een beetje, kunnen vinden in het vers van de Griekse dichter en Nobelprijswinnaar voor literatuur Yorgos Seferis, uit het gedicht Op de wijze van Y.S.: “Waarheen ik ook reis, Hellas verwondt me”.

Zeggen dat je Grieks studeert of onderwijst, levert vaak onbegrijpende, meewarige of spottende reacties op. Wat kan je nu, anno 2012, in ’s hemelsnaam nog met Grieks doen, zie je velen denken en in hun gedachten rijmt Grieks onvermijdelijk op ‘nieks’. Hellas of helaas, wat scheelt het? Grieks op school? Nutteloos. Oude rommel.

Lang geleden, in mijn onstuimige jaren, probeerde ik deze meningen te bestrijden met diepzinnige argumenten (die weinig indruk maakten trouwens). Vandaag niet meer. Ik ben er zelfs van overtuigd geraakt dat Grieks inderdaad nutteloos is. Maar dan heerlijk en verrijkend nutteloos. Tegenover de nuttigheidsimperatief van de hedendaagse zogezegd efficiënte homo economicus, stel ik kwetsbare nutteloosheid. Zoals ook het kijken naar een film, het lezen van een boek of het bezoeken van een tentoonstelling verrijkend nutteloos is. Dat de studie van Grieks alleen wat meer moeite kost, is een understatement dat leerlingen niet zullen tegenspreken. Maar wat is daar mis mee? Komt er nog bij dat ook in de moderne literatuur leraren Grieks geen al te beste reputatie hebben. Denk maar aan de wereldvreemde gevaarlijk-elitaire zonderling in De Verborgen Geschiedenis van Donna Tartt… Conclusie: “It’s not easy to be Greek” (naar het liedje “It’s not easy to be green” van Kermit de kikker in de Muppetshow).

Toen ik intussen een leven geleden klassieke filologie wou gaan studeren, fronsten mijn ouders wel even de brauwen, maar ze legden zich gelukkig snel bij mijn keuze neer. Ze kwamen zelfs aandraven met een gepensioneerde grootoom-classicus, een oude wijze man die (natuurlijk) Nestor bleek te heten. Hij zou zich over mij en mijn Griekse aandrang ontfermen. Menig bijles volgde. Tijdens een nieuwjaarsfeest ten ‘paleize’ van deze Nestor kreeg ik als toekomstig student – ik was zeventien – als dessert alle uitzonderingen van de Griekse grammatica voorgeschoteld. Mijn ouders begrepen er geen iota van, voor de feeststemming waren die dualissen en athematische aoristen niet meteen bevorderlijk, maar ik doorstond de proef. (Toen hij enkele jaren later een beroerte kreeg en zich de Griekse werkwoordsvervoegingen niet meer kon herinneren, ben ik uit dankbaarheid aan zijn ziekbed gaan zitten om hem voor te lezen uit de Geerebaertspraakkunst.)

Sinds mijn jeugd kleurt Grieks dus mijn leven. Noem het een verslaving, dat zich willen laven aan Griekse verzen. Noem het liefde. Dit gaat nooit meer over, wist ik toen al. Dit geneest nooit meer en ik wil hier ook niet van genezen worden. En zolang ik mag en leerlingen voor Grieks blijven kiezen, hoe weinig ook in aantal, wil ik wonden kunnen blijven slaan. Griekse. Op de wijze van A.D.