Dag Moeder

Vorige week Moederdag. Ik schrijf je vandaag een brief. Voorbij de dood die ons scheidt. Twee weken geleden was ik namelijk op de begraafplaats Heimolen in Sint-Niklaas, voor het afscheid van de vader van een vriend. Hartverscheurend trouwens in eenvoud en diepgang. Warm, zowel in woord als muziek. Bij het aanhoren van Dido’s afscheidsaria uit de opera van Purcell, die ik al zovele malen hoorde en ook mijn leerlingen elk jaar laat horen, werd het me zelfs even te veel. Vim lacrimarum profudi. In gedachten vloeide de tijd dooreen, en werd deze begrafenis opnieuw de jouwe.

Ik was eerst nog even dag komen zeggen aan je graf. Dat was lang geleden. Mooie viooltjes bij jouw gedenkplaat. Paarse. Jij had “mauve” gezegd en er meteen aan toegevoegd: “… la couleur des cocottes délaissées”, de kleur van verlaten lichtekooien. Hoe je aan dit gezegde kwam, weet ik niet. Maar dit Frans klonk goed, vond je. En vind ik ook. Het Frans van je draag ik nog steeds met me mee en kleurt mijn liefde voor deze taal.

Délaissées, in de steek gelaten. Bij jou was het je hart dat je in de steek liet op een avond in oktober, meer dan twintig jaar geleden. En een gedachte die mij steeds vaker achtervolgt, is dat ik straks even oud word als jij was toen je stierf. Ik weet niet goed wat ik hiermee moet. Ik herinner me in elk geval nog die avond. Het flitsgeheugen, noemt men dit, wat maakt dat ingrijpende zaken zich blijvend nestelen in de geest (zoals iedereen weet wat hij aan het doen was op 9/11). Vergadering op school, een pint in café Centrum en Hilde die mij in paniek kwam zoeken. Het was warm, die dagen. Een uitloper van de zomer. Dat een priester vroeg om een Onze Vader te bidden, maar ik weigerde en buiten ging omdat ik vond dat het over Onze Moeder moest gaan. En hoe de politie van Sint-Niklaas mij een boete onder de ruitenwisser van mijn inderhaast fout geparkeerde auto had geschoven. Mij achteraf kwijt gescholden trouwens. Dat herinner ik me allemaal. En nog veel meer.

Maar wat ik mij niet meer kan herinneren, is je stem. Vreemd is dat. Ik draag wel beelden van jou met me mee, maar zonder klank. Hoe ik ook probeer, je stem wil niet terugkomen. Ook andere herinneringen lijken met de jaren bovendien nauwer en nauwer worden, zoals je in een tunnel kijkt naar het einde ervan. Dus misschien moet ik, om jou te horen na al die jaren, gewoon maar naar mezelf luisteren. En naar mijn kinderen (die jou nooit gekend hebben), en naar de dingen waarin ze op jou gelijken (bij mijn dochter is dat heel veel zelfs).

Dit heb ik allemaal bijeen gedacht, tijdens dat half uur in Heimolen, vlakbij jou. En schrijf ik je nu.