Woorden om in te schuilen

Ik ben een veerman. Ik laad elke dag leerlingen in een oude sloep en vaar met hen een stroom van soms twintig en meer eeuwen over, tegen de stroming in. Ik laat hen paleizen zien van woorden, rijkdommen van een gedacht verleden, schatkamers vol oude en nieuwe meesters. Ik breng hen elke keer ook weer terug en merk vaak zwijgend hoe hetgeen ze zagen en hoorden door de naden van de sloep wegsijpelt, en de stroom er een van vergeten wordt.

Deze dagen voelt het water kouder dan anders. Het spat in mijn gezicht, en smaakt naar tranen. Ik moet niet ver om te kunnen aanmeren bij een gedicht uit 1938, van Wystan Hugh Auden. Hij herinnert ons aan een schilderij van Pieter Bruegel, De val van Icarus. Bruegel laat op het doek pijnlijk echt zien hoe het leven voortgaat, terwijl in een klein hoekje een jongen uit de hemel valt en in het water verdrinkt. En, schrijft Auden, zo gaat het nu eenmaal altijd.

Dinsdag nog ging ik langs in een bejaardenhuis waar leerlingen vrijwilligerswerk deden. Ik zag hen zich liefdevol bekommeren om heel oude mensen, sommigen daarvan als vergeten door de dood en wachtend op een vredig einde. En ’s avonds waren er die kinderen – even oud als mijn eigen zoontje – die niets vermoedend plots uit hún hemel wegvielen.

About suffering they were never wrong,
the Old Masters; how well they understood
its human position, how it takes place
while someone else is eating or opening a window or
just walking dully along;
how, when the aged are reverently, passionately waiting
for the miraculous birth, there always must be
children who did not specially want it to happen…

Woorden om even in te schuilen. Veel warmte geven ze deze keer niet. En dan licht ik opnieuw het anker en vaar verder, met lome riemen, bij het zien van zoveel verdriet. Omdat Oude Meesters altijd gelijk hebben. Omdat het nu eenmaal moet van het leven.