Foutmelding

Deprecated function: implode(): Passing glue string after array is deprecated. Swap the parameters in drupal_get_feeds() (regel 385 van /customers/6/1/e/alaindebbaut.be/httpd.www/includes/common.inc).

Mondmaskerblues

Marjoleine de Vos schreef in NRC-Handelsblad van 19 september een ‘kleine filosofie van het mondkapje’ (het in Nederland gebruikelijke woord voor ‘mondmasker’) en stipte hierin een aantal zaken aan die met gemak over te brengen zijn naar klaslokaal, leraarskamer en speelplaats. Ik neem ze als leidraad voor een mijmering over hoe het dragen van een mondmasker het (lees: mijn) schoolleven helemaal heeft veranderd. Ik kies hier wel voor het woord ‘mondmasker’, want ‘mondkapje’ doet me iets te veel denken aan de boze wolf.

Klasgroepen waar ik één uurtje in de week kom, begin ik gewoonlijk tegen de herfstvakantie half te kennen, zo niet bij naam, dan toch van gezicht. Nu is dat niet eens de helft van half en moet ik leerlingen herkennen aan ogen, wenkbrauwen en haren. Het lukt me gewoon niet. Ogen zijn dus niet altijd zo sprekend als ik dacht. Het is goed denkbaar om een ontmaskerde leerling(e) op straat tegen te komen zonder te weten dat het mijn leerling(e) is. Ik zie in de klas doodeenvoudig niet genoeg om me iemand later nog te herinneren. De eerste lesweken vroeg ik zo nu en dan om dat mondmasker eventjes – enkele seconden maar – af te zetten in de hoop dat wat ik zag voor de rest van het schooljaar in mijn geheugen zou blijven hangen, maar dat bleek niet te werken. Bovendien keken niet weinig leerlingen me bij deze vraag aan alsof ik hen vroeg zich uit te kleden en ben ik uit gêne maar met dit soort van nieuwe intimiteiten opgehouden.

En als je niet genoeg ziet om het je te blijven herinneren, begin je gezichten te verzinnen. Het is als met de stemmen van reporters op de radio, bij wielerwedstrijden bijvoorbeeld. En dan zie je de Christophe Vandegoors of Carl Berteeles plots op het televisiescherm verschijnen, en is het even schrikken en verlang je terug naar de radio. Ik zie een leerlinge met volle wangen en dan blijkt die mondmaskerloos een heel zuinig mondje te hebben, of een schriele leerling die achter een stoffen façade een stel vlezige lippen torst. Het verzinnen van een gezicht is dan misschien wel menselijk, en omdat leraren mensen zijn, ook des leraars, het helpt me niet vooruit in de realiteit van deze dagen.

Conclusies trekken uit de kleur en vorm van het mondmasker is ook al hachelijk. Men heeft me ooit een synthetisch masker proberen slijten met het VLOT-logo, maar daar heb ik voor bedankt. Ik krijg puistjes van synthetisch gedoe. Mijn voorkeur gaat uit naar de eerder neutrale papieren ziekenhuismondkapjes, die praten makkelijker toelaten dan stoffen maskers. Maar bij leerlingen zie ik nogal wat varianten opduiken. Ik zie maskers met bolletjes, streepjes en met linten als Joodse pijpenkrullen. Ik zie zwarte dreigende (als van misdadigers op rooftocht), bouwvakkersmaskers (tegen een teveel aan stof?), gekleurde die heel modieus meegaan met de kleuren van de outfit, maagdelijk witte die soms eerder aan een luier doen denken, maar ook van die groezelige die een wasbeurt kunnen gebruiken (ik wil niet denken aan de kleur van het ondergoed van wie met groezelig masker in de klas zit). Diversiteit troef dus. En dan nog die te krappe maskers met elastieken, die zo om de oren spannen dat die in een rechte hoek met het hoofd komen te staan. Pijnlijk allicht voor de drager, maar hilarisch voor anderen.

Maar als leerlingen onherkenbaar zijn voor mij, ben ik dan ook onherkenbaar voor leerlingen? Ik denk (hoop) het niet. Er is allicht nog genoeg Debbaut over om herkend te worden. Wat wel zo is, is dat ik me alleszins beperkt voel in mijn lesmogelijkheden, nu ik mijn mimiek niet meer kan inzetten ter bekrachtiging van mijn woorden of ter beoordeling van opmerkingen of gedrag van leerlingen. Het woord alleen blijkt niet te volstaan. In de Romeinse retoriek speelden ‘vox’ (stemintonatie) en ‘vultus’ (gelaatsmimiek) een belangrijke rol bij het houden van een redevoering. Dat geldt meer dan ik ooit besefte ook voor de lespraktijk. Dat de intonatie gedempt wordt achter een masker en ook de mimiek wegvalt, maakt het lesgeven er niet gemakkelijk op. Alle nadruk komt op het woord te liggen, en dat is vermoeiend, heel vermoeiend. Na een hele dag les ben ik dan ook letterlijk en figuurlijk buiten adem.

Bovendien wordt de confrontatie met de eigen lichamelijkheid door het dragen van een masker versterkt: de geur van je eigen adem na het drinken van een koffie of het eten van een stukje Hervekaas, of niezen in je mondmasker… En zo de trappen op naar de klas. Appetijtelijk! Het verdient daarom aanbeveling om een muntje bij de hand te hebben, en een zakdoek voor het geval dat het snot je de neus uitkomt. Het enige voordeel dat ik aan dragen van een masker de komende weken en maanden zie, is dat het lekker warm is in koudere dagen. Maar dat is dan ook alles. Voor het overige zit er niets anders op dan de hele zaak te ondergaan. Blijmoedig of niet. In mijn geval eerder niet. Achter mijn masker neurie ik de blues. De mondmaskerblues. En dat het maar snel lente wordt, zonder masker.