Vier doden

Achter de cijfers die in slides en grafieken aan ons passeren, schuilt het wereldwijde verdriet van mensen die rouwen om hun geliefden. Vandaag al meer doden (bijna 250.000) dan bij de verwoestende tsunami die in 2004 Indonesië, Thailand en Sri Lanka teisterde. Maar, er wordt dezer dagen niet alleen aan corona gestorven. Er zijn nog andere ziekten die tot sterven nopen, zoals kanker. Er is de leeftijd, waarop de dood zoals in het mooie gedicht van Anna Enquist (Een herfstlied) een opluchting is voor wie “tot in de grond vermoeid en leeggegeten” is en wanneer “tijd komt voor wie tijd is gekomen”. Vier zulke doden zijn wat tussen de nieuwsplooien gevallen, maar wil ik hier eren, want de herinneringen aan hen openen ramen op het vervagende landschap van mijn eigen leven.

De eerste is George Steiner, overleden op 3 februari, 90 jaar oud. Een Old School intellectueel. Twee boeken van hem in mijn kast: Antigones (1983) en Grammatica van de schepping (2002). In het eerste onderzoekt hij de meervoudige doorwerking van deze klassieke tragedie van Sophocles in de westerse literatuur en kunst. Het tweede is actueler dan ooit in deze coronatijden, want een betoog dat wetenschap en techniek dan wel een geweldige verrijking vormen, maar nooit in staat zijn om diepmenselijke vraagstukken over waarden, geloof en zingeving te beantwoorden. Vertaald in actuele termen: fantastisch hoe er intensief aan een vaccin wordt gewerkt tegen corona, maar wat met angst en eenzaamheid en verdriet? Het in memoriam in de Groene Amsterdammer van 13 februari typeert Steiner als een ‘leraar’. Voor hem is het leraarschap het mooiste beroep dat er bestaat en de leraar de belangrijkste figuur als het er om gaat tradities door te geven. Wondere woorden die mij raken. Deze tradities reiken voor hem even vanzelfsprekend als voor mij tot in de klassieke oudheid. Steiner las naar eigen zeggen al op zesjarige leeftijd met zijn vader Homerus in het Grieks, een taal (een cultuur, een manier van zijn) die tot mijn diep verdriet in de Vlaamse onderwijshervorming van de komende jaren geslachtofferd dreigt te worden op het schrale altaar van nut en beleving.

Het nieuws van de dood van Reinbert de Leeuw (81), op 14 februari, voerde me terug naar mijn twee laatste jaren middelbaar op een groot college in Sint-Niklaas. Er liepen in mijn geboortestad avondlijke filmfora, één van de katholieken (met ‘bravere’ films) en één van de vrijzinnigen (met een meer gewaagde programmatie), met jaarlijks tweemaal zes films. Ik was fan van beide fora en maakte er in tijden dat we op school alleen naar veredelde missionarisfilms mochten kijken kennis met regisseurs als Fassbinder, Truffaut en Fellini. Van Carlos Saura’s Elisa vida mea (met Geraldine Chaplin) herinner ik me vooral een droeve scheidingsscène in een auto. De regen slaat tegen de voorruit. Een koppel is uitgepraat. Pianomuziek van Erik Satie scheurt de stilte. Gnossiennes. Zo aangrijpend dat ik de dagen daarna op zoek ging naar Satie en uitkwam bij een uitvoering van Reinbert de Leeuw, die ik sindsdien met me ben blijven meedragen.

De derde dode is Frank Uwe Laysiepen, overleden op 2 maart (76). Wie, zal u zeggen? Maar een beetje kunstminnend mens die vertrouwd is met het moderne (maar intussen ‘gepasseerde’) genre van de performance kent hem als Ulay, ooit de partner van Marina Abramovic. Ze vormden een onafscheidelijk duo, een koppel ook, tussen 1975 en 1988, en experimenteerden er op los met inzet van vooral eigen lijf en leden. De Great Wall Walk, een performance waarbij ze elk aan een kant van de Chinese Muur vertrokken om elkaar ergens halverwege tegen te komen, leidde tot een pijnlijke scheiding. Maar een van de ontroerendste momenten in de hedendaagse kunst was hun korte ontmoeting (na 24 jaar) tijdens Abramovic’s performance The Artist is Present in het MOMA in New-York. Kippenvel. Zie https://www.youtube.com/watch?v=OS0Tg0IjCp4.

De laatste in de rij is zonder twijfel de meest bekende: Albert Uderzo (92), die op 24 maart overleed. Onsterfelijk is hij als tekenaar van Asterix, lang aan de zijde van de geniale scenarist René Goscinny (gestorven in 1977, op 51-jarige leeftijd). Deze Gallische ‘ster’ en verzetsheld tegen het Romeinse imperialisme – gele hesjes avant la lettre – zag het levenslicht in 1961, een goed jaar, mag ik zeggen. Vanuit een onooglijk dorp ergens aan de rand van Gallië – het huidige Bretagne, mijn geplande vakantiebestemming van deze zomer (als alles goed gaat) – weten Asterix en Obelix c.s. de Romeinen keer op keer een loer te draaien. Geweldig! Ik gebruikte de Latijnse versies van de strip soms in de lessen van het vierde jaar als antidotum tegen teveel Caesariaans getoeter. En al namen anderen in 2009 de tekenpen over van Uderzo, zij bleven hun meesters heel erg schatplichtig met prettig gestoorde verhalen, traditiegetrouwe tekeningen en nog altijd bijzonder goed gekozen en zelfs visionaire namen voor hun stripfiguren, zoals in Asterix en de race door de laars uit 2012 (een soort Giro d’Italia), waar een wagenmenner en zijn bijrijder Coronavirus en Bacillus blijken te heten… Mag ik voor een volgende strip zelf ene Covidius suggereren als de slechterik van het verhaal?