Het barre land

De aanhef van T.S. Eliots The Waste Land, zijn opus magnum uit 1922 en het volgens Wikipedia “meest becommentarieerde Engelse gedicht uit de 20ste eeuw”, zingt al enkele weken door mijn hoofd:

April is the cruellest month, breeding
lilacs out of the dead land, mixing
memory and desire, stirring
dull roots with spring rain.

Een stilaan eindeloze stoet doden maakt van deze (overigens gortdroge en naar regen snakkende) april echt wel een wrede maand, terwijl ik intussen uit de schijnbaar dode takken aan mijn terrasmuur en het wintergras van mijn nog nooit zo onderhouden tuin geen seringen, maar blauweregen en een tiental verdwaalde wilde hyacinthen tevoorschijn zie komen. Ik ben mijn eigen stiltegebied geworden. De voorbije dagen klonteren samen in mijn hersenpan. Ik droomde deze nacht in een samenvallen van herinnering en verlangen dat ik op café zat met vrienden. Week vijf in mijn ‘kot’ en opnieuw woensdag, naar verluidt.

In zijn bizarre verbeelding ziet Eliot in een onwerkelijke stad onder een vuile mistlaag een menigte amechtige doden over London Bridge trekken. De dodelijke winter in deze lijnen houdt wel de belofte in van lente en van verrijzenis van de natuur en van nieuw leven en vruchtbaarheid. Ik geloof het graag.

Unreal City,
under the brown fog of a winter dawn,
a crowd flowed over London Bridge, so many,
I had not thougt death had undone so many.
sighs, short and infrequent, were exhaled,
and each man fixed his eyes before his feet.

De lentezon schijnt al een tijdje onophoudelijk en plagerig, en de hemel kleurt vergeet-me-nietjesblauw, wat virologen en gezondheidswerkers dwingt om deze verleidingen nog nadrukkelijker te bezweren met cijfers, statistieken en pakkende getuigenissen. Tegen de manifeste arrogantie en domheid in van een zelfverklaarde bovenlaag (waaronder zelfs universiteitsprofessoren) en van een roedel hopeloze simpelen van geest (waaronder dat in mijn nek hijgende gastje bij mijn Turkse bakker dat me vorige week een ‘vuile Belg’ noemde omdat ik hem vroeg om de regels van de winkel te respecteren en buiten zijn beurt af wachten).

Mijn quarantainegeluk blijkt dichterbij dan ooit gedacht en huist in de boekenkasten waarmee ik me in mijn schrijfgrot omring. Austerlitz van W.G. Sebald bijvoorbeeld, een heel langzaam te lezen pijnlijke zoektocht van een man, Jacques Austerlitz, naar de waaroms van zijn leven en zijn Joodse roots. Een zoektocht die hem tot in het Tsjechische Theresienstadt brengt, een naziconcentratiekamp waarin zijn moeder werd opgeslokt en dat ik, blijkens een vermelding in het gruwelboek Terezín dat ik daarnet terugvond tussen andere historische uitgaven, in april 1992 heb bezocht. Maar het kan ook aangenamer, met de Atlas Routier et Touristique de France, een uitgave van Michelin uit 2019. Mijn reisplannen naar de vertrouwde Dordogne heb ik in deze paasvakantie dan wel moeten opbergen, ik reis zo nu en dan met mijn vinger over de kaarten in deze lijvige uitgave en doe de streken en steden aan uit een zoet verleden, van Vergt tot Wail, van Bordeaux tot Barcelonette, van Saint-Maurice-sur-Moselle tot Saint-Léon-sur-Vézère. Ik glijd door eindeloze landschappen en over cols, en loop de paden van mijn herinnering, zoals ik in een eerdere blog al aangaf. Mixing memory and desire, diep verlangen om er deze zomer dan toch echt op uit te kunnen trekken.