Herfst in Frankrijk

Die enkele vrije dagen volstonden amper om alle schoolse gedachten, zorgen en ergernissen van de voorbije twee maanden het dichte woud van mijn geest uit te drijven, zoals jagers dat in dit seizoen ‘echt’ doen met zowat alles wat zich in bossen of velden ophoudt tussen takken en struiken. In het grote Forêt d’Hesdin bijvoorbeeld, in het noorden van Frankrijk, al heel lang een vaste bestemming in herfstvakanties en soms ook daarbuiten, is twee november een allerzieligste dag. Overal zitten jagers schietensklaar aan de rand van het woud te wachten op wild dat door drijvers wordt opgejaagd. En bij ‘wild’ moet een mens zich niet al te veel voorstellen. Misschien een verdwaalde ree of een haas, maar op wandel in dit vochtig geurende herfstbos, twee dagen eerder, kwamen vooral patrijzen ons op de paden onbevreesd tegemoet gekakeld. We hadden ze voor het grijpen. Zo wild… En vrijdag kwamen we in Saint-Valery zowaar een vrolijk knorrend everzwijn tegen dat daar volgens bewoners al enkele maanden wei, bos en voederbak deelde met hun paarden, maar nu zijn dagen geteld wist.

Zeker bij ons in dicht bevolkt Vlaanderen wordt ‘wild’ meestal korte tijd voor het begin van het jachtseizoen uitgezet. Soms loopt dit jagersgefoefel dan uit de hand, zoals met de everzwijnen in Limburg en Luxemburg die overal schade aanrichten of varkenspest rondzaaien. Ergerlijk bovendien is dat schutters hier om aan hun veertig hectaren aaneengesloten jachtgebied te komen – noodzakelijke voorwaarde voor hun ‘sport’ – kwistig omspringen met het kleurpotlood. In Lokeren, stelde ik twee jaar geleden vast, kleuren jagers begraafplaatsen, voetbalvelden, tuinen van niets vermoedende particulieren en zelfs scholen en speelplaatsen (Staakte!) mee in als jachtgebied. Zij hoeven daarbij niet eens aan te tonen dat hun kaarten kloppen met de werkelijkheid op het terrein, maar particulieren en overheden moeten stappen ondernemen om hun bedrog ongedaan te maken. Mijn voorstel in de gemeenteraad dat de stad tenminste haar eigen terreinen zou schrappen uit de jachtkaarten werd door de meerderheid – zoals te verwachten in dit Lokeren – simpelweg afgeknald.

Terug naar het noorden van Frankrijk. Tussen Rijsel en Amiens en van Peronne naar Abbeville golven uitgestrekte velden en bossen zachtjes op en neer richting zee in het westen of de Somme in het zuiden. Hier en daar steenkoolpiramiden als relicten van een lang vervlogen industrieel verleden. Wandelend en rijdend door dit landschap zingen de woorden van kunstenaar Willem de Kooning me door het hoofd: “Er is vrouw in het landschap en er is landschap in de vrouw.” Het is misschien eigen aan mannelijke verbeelding om in vrouwen heelder landschappen te zien (hier dieper op ingaan is voor een andere keer) en Jacques Brel droomde in Madeleine zelfs een heel continent (“Tu es mon Amérique à moi!”) met zichzelf uiteraard als ontdekkingsreiziger. Maar vrouw in het landschap?

In dit landschap vooral jonge mannen. Honderdduizenden en van over de hele wereld. Fransen, Duitsers, Engelsen, Ieren, Amerikanen, Zuid-Afrikanen, Canadezen, Chinezen, Australiërs, Marokkanen, Senegalezen en ik vergeet nog wat nationaliteiten. Overal kom je er de begraafplaatsen van de Eerste Wereldoorlog tegen, op de meest onvermoede plaatsen. Zoals dat van Chinese arbeiders in een doodlopend veld in Noyelles, bij Saint-Valery. Hoe ver van huis kan je sterven in een oorlog die je niet aanbelangde? De naar schatting elfduizend Canadese doden in de slag om een heuvelrug bij Vimy, in april 1917, hadden dan tenminste in de meeste gevallen nog banden met het moederland waaruit zij of hun ouders geëmigreerd waren, zij het ook niet allemaal – er vochten in hun rangen ook ‘native Canadians’ mee. Boven op deze heuvel, tussen Lens en Arras, aan een indrukwekkend memoriaal ter nagedachtenis van de in totaal zestigduizend Canadese doden van WOI zie je in de verte zelfs Rijsel liggen. Je moet geen militair genie zijn om te beseffen dat de strategische betekenis van deze locatie groot was en voor een beetje zegebelust generaal wat mensenoffers waard. Maar die aantallen... Opzij van de parking ook nog een (veel kleiner) monument voor de Marokkaanse koloniale troepen die door het moederland Frankrijk in de strijd werden gegooid.

Neen, hier geen vrouw in het landschap. Een schuldig landschap is dit eerder, in de woorden van de Nederlandse dichter Armando. Hij bedacht de omgeving van zijn geboorteplaats Amersfoort met deze naam, decor van gruwel met een Duits concentratiekamp tijdens WOII. Het landschap in het noorden van Frankrijk torst evenzeer een pijnlijk verleden met zich mee. Het oogt dan misschien nu wel vredig en sensueel golvend, om bij de metafoor van daarnet te blijven, maar deze schoonheid wordt gevoed met de humus van tienduizenden op de begraafplaatsen en de vele anderen die voor altijd in de aarde werden verzwolgen en vergingen.

Ik hou van dit landschap met zijn glooiingen, dat me doet vertragen. De tijd loopt er langzamer, de lucht is er zuiverder, de natuur oprechter. Zeker in de herfst, met en zonder jagers, bij zachter licht of onder een loden hemel. Vergankelijkheid en dood zijn nergens meer dichtbij dan hier, en in dit jaargetijde.