Tour de France

Waarom gaan we op reis? In een recent stukje op de website van VRT-nieuws wijt psychiater Dirk De Wachter dit aan een fundamenteel menselijke nood aan iets nieuws, aan verandering. Een drang die volgens hem wel vol tegenstellingen zit: afwisseling betrachten, maar tegelijk in het vertrouwde willen terechtkomen, met hetzelfde slag mensen, dezelfde eetgewoonten, dezelfde drukte als die we willen ontvluchten. En dus pleit hij ietwat stout voor Bongobonnen om thuis in je eigen tuin te zitten. Wil dat nu net de reden zijn waarom ík op reis ga: mijn straat, mijn tuin en dagelijks uitzicht (een moskee) ontvluchten en tijdelijk inruilen voor de weidse vergezichten van bij voorkeur een berglandschap. We willen geen uren aanschuiven in de rij van een luchthaven of op de Autoroute du Soleil richting Côte d’Azur. We willen ons niet neervleien op een overbevolkt strand, aan het zwembad van een luxeresort of onder een exotische palm aan de andere kant van de wereld. Frankrijk is ons de laatste jaren al ver genoeg geworden. Voor lezers met vliegschaamte: in het voorbije decennium namen we (slechts) tweemaal (maar) schaamteloos het vliegtuig: in 2011 naar Rome en in 2016 naar Athene. En ik hoop daar in het volgende decennium alleen nog eens Iran aan toe te voegen, als de politieke ontwikkelingen in de regio het hopelijk dan nog toelaten.

Als voorgerecht kozen we dit jaar eerst drie dagen cultuur in Dijon, met het boek over de Bourgondische hertogen van Bart van Loo als tijdsgids. Aangename stad en toch wel indrukwekkend mooi, die ‘pleurants’ van Klaas Sluter rond het praalgraf van Filips de Stoute, in een pas heropend en geheel gerenoveerd museum, gratis bovendien. De hoofdschotel van onze reis: een week ‘hoge’ Jura, als je hoogten van duizend tot vijftienhonderd meter hoog wil noemen, in het departement van de Ain. À l’Ain dus. Het was er alleszins koeler dan in het dal, waar de middagtemperatuur vlot de koortsdrempel overschreed. De naam van ons verblijf: ‘Le Relais Nordique’. De uitbaters de beminnelijkheid zelve. De mensen leven er hoofdzakelijk van de intussen schaarse sneeuwval in de winter en verwelkomen in de zomer steeds meer wandelaars en mountainbikers. Tot die laatste groep beken ik me alleen nog in gedachten, al heeft ook daar de elektrische versie zijn intrede gedaan. Neen, wij gaan voor langzame hijgtochten van minimum vier uur, steile paden op en af, met letterlijk adembenemende uitzichten als beloning: zo de Crêt de Chalam, of rond Champfromier en de Valserine, of de 15 kilometer lange Tour des Belvédères rond onze verblijfplaats Giron. Landschappen die je zo zou willen inkaderen en meenemen naar huis. Bossen en scherpe rotswanden. Hier en daar een bergweide met gonzende bloemen. Foto’s geven nauwelijks deze werkelijkheid weer en vallen achteraf bekeken altijd tegen. Ik probeer er eentje bij deze tekst. Amper tegenliggers op de paden of andere gasten in het hotel. Een verdwaalde rechter op rust uit Grenoble, ja, die een uurtje per dag Tacitus bleek te lezen en met wie ik een avondgesprek voerde over Latijnse literatuur, het hautaine beleid van de Franse overheid en de heugelijke vergroening van Grenoble, onder een ecologist als burgemeester…

De twee heetste dagen brachten we door aan het naburige Lac Genin, bijgenaamd ‘Petit Canada’. De schaduw van een boom en een zachte bries maakten het leven er zeer draaglijk. Intussen spelde ik op de tonen van een tsjirpende krekel de wielerbladzijden van de chauvinistische sportkrant L’Equipe helemaal uit (op de voorpagina elke dag Alaphilippe – en de ritwinnaar ergens op pagina 7 of 8) en leefde in mijn luie vouwzetel mee met de koers en de dramatiek rond Wout en Thibaut. De wijnboer die ons ’s avonds een Pinot Noir liet proeven, kon niet lachen met mijn zinspeling op hun Franse lieveling en zijn zwarte dag. Even toch een min of meer culturele opflakkering met een bezoek aan Fort L’Ecluse, op de grens tussen Frankrijk en Zwitserland. Een typische militaire vesting uit de 19de eeuw, uitgehouwen in de rots en met 830 treden tot boven een taaie brok klauterwerk, beloond met een fraai vergezicht richting Genève en een ‘diplôme de l’escalier’. We leerden er dat dit L’Ecluse hier geen sluis betrof, maar een ‘cluse’ of een door een rivier uitgesleten wig tussen twee bergen. Frivole gedachten waaiden me na de klim vanop het dak van het fort toe, maar zal ik verder voor mezelf houden.

Een week ging snel voorbij, maar in plaats van naar huis te rijden, dwarsten we Frankrijk via Lyon en Clermond-Ferrand richting de ons vertrouwde Dordogne om nog vijf dagen uit te rusten van de eerdere week rust, op een heuvel aan de rand van steeds hetzelfde Les Eyzies, met zijn vertrouwde mensen en kameruitzicht en prehistorische landschappen. Opnieuw de wandeling van Côte de Jor rond Saint-Léon-sur-Vézère. Een ideale slaapremedie tijdens het drukke jaar was trouwens om deze lange tocht in gedachten te beginnen stappen. Opnieuw die ‘omelette aux cèpes’. Opnieuw de uitgebreide aperitiefavond met de eigenaars van ons verblijf, met sloten pastis en muscatelle. Enzovoort.

Als dit het ‘vertrouwde’ is waarnaar we volgens De Wachter op onze reizen op zoek zijn, wil ik hem graag bijtreden. Iemand vroeg me gisteren nog wat ik er in zie om voor de zoveelste keer naar deze plaats terug te keren en het antwoord is heel simpel dat de herhaling, de herkenning, de vertrouwdheid echt rust geven en daarom gelukkig maken. Misschien is dat ook het recept van de dertig jaar huwelijk die we in het begin van de maand juli vierden: vrede hebben met het vertrouwde, het met de tijd zachtjes, heel zachtjes veranderende menselijk landschap aan die andere kant van bed en tafel en zetel. Tevreden zijn en dus gelukkig. Eenmaal thuis ontvouwen zich nu in mijn hoofd geleidelijk die paar landschappen die ik uren in me heb zitten opnemen (daarom ook ‘uren’ en niet zomaar snel, snel), nieuwe, maar toch ook vertrouwde. Dit gedachtelijk behang maakt het dagelijks leven draaglijk en helpt om me weer voor een tijdje te verzoenen met mijn stad, mijn straat, mijn tuin. Daar hoef ik dus geen Bongobon voor.