Zomerklanken

Van een kille en natte meimaand zonder overgang naar een hittegolf. Een aanslag op lijf en leden, dit. Vermoeidheid, die eigen is aan de laatste schoolweken, graaft zich nog dieper onder mijn huid en maakt, als het even kan, van mijn bed ook overdag een goede vriend, voor een korte siësta. Tijdens het ‘hora sexta’ of ‘zesde uur’, op en kort na de middag, lieten de verstandige Romeinen de wereld voor wat ze was, trokken ze zich achter gesloten luiken in de koelte terug en probeerden ze de hitte van zich af te slapen. Nog altijd valt in de mediterrane wereld het leven na de middag helemaal stil, om vervolgens in de late namiddag te hernemen. Overheidsgebouwen sluiten, winkels laten hun rolluiken zakken, straten lopen leeg – op wat zonverdwaasde toeristen na. Als dit klimaat met de jaren verder noordelijk doorschuift, wordt dit gebruik misschien nog ooit het onze?

Siësta’s kunnen ook momenten van erotische verpozing zijn. De Romeinse dichter Ovidius vertelt in een heerlijk gedicht hoe zijn middagdutje uitloopt op een stoeipartij met zijn lief (Amores I,5 – uit 16 v.C.). Het is middag en bloedheet. Hij ligt op bed uit te rusten, de ramen half gesloten en met gefilterd licht, wanneer Corinna zijn kamer binnenstapt, in een los kleedje en met de haren in de hals, wat hem zeer opwindt. Hij wil haar kleed uittrekken, ze stribbelt wat tegen, maar op een manier die duidelijk maakt dat ze deze strijd niet wil winnen. En dan staat ze naakt voor hem: “Toen ze daar zo voor mij stond, haar kleed op de grond, zag ik nergens op haar lichaam iets onvolmaakts. Haar schouders, haar armen: ik zag ze en raakte ze aan. De vorm van haar borsten leende zich tot strelen. Hoe strak haar buik onder haar stevige boezem! Hoe lang en mooi haar leest! Hoe jeugdig haar dijen! Waarom moet ik nog verder uitweiden? Ik zag niets dat geen lof verdiende en drukte haar naakte lichaam dicht tegen het mijne. Wie weet niet wat volgt? (En dan volgt de langste cesuur in de Latijnse letterkunde.) Vermoeid lagen we beiden te rusten. Mogen er nog vaak zo’n middagen komen.”

Terwijl ik dit bedenk, in de schemering van mijn eigen kamer, droom ik mijn eigen Corinna. Ik luister naar de klanken van de zomer en hoor een dorstige hond blaffen, een zwaar ronkend vliegtuig met tonnen toeristen in zijn buik en een duif die onophoudend de eerste drie noten koert van John Coltrane’s A Love Supreme, en nooit verder geraakt. Een lichte bries doet de gordijnen opbollen. Het schooljaar ligt nog maar drie dagen, maar gevoelsmatig al lichtjaren achter me. De Ronde van Frankrijk moet nog vertrekken. De vakantie sluipt de kamer binnen, vleit zich languit naast me en windt me op. Ik geef me helemaal over. Dit wordt mijn lange cesuur. Twee maanden. Ik maak zelf de noten van A Love Supreme wel vol.