Grijze dagen

Lange tijd had ik gedacht dat levensinzicht op de middag van het leven kwam, een middag die in vele culturen rijk is aan symboliek en een gewijd moment markeert: het bereiken van een kortstondig evenwicht in de cyclische beweging van de dag. Met de zon in het zenit vervallen de schaduwen eventjes, is het licht intenser dan tevoren en wordt de routine van het leven soms pijnlijk zichtbaar, meende ik. Voor sommigen doemt dan het gevreesde middagspook op, de demon van de ‘midlife crisis’, waarbij sommige mannen uit verveling menen toe te zijn aan een moto of een nieuw lief. Zo verwijst in de bijbelse traditie (voor wie daar nog een boodschap aan heeft) de middag naar het licht in al zijn volheid en is het dan dat Abraham oog in oog staat met God (Genesis 18,1), “wanneer hij op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat.” Voor Dante begint zijn magnum opus, de Divina Commedia, evenwel op het moment dat hij op de middag van zijn leven ronddoolt, niet in een zonovergoten Toscaans landschap, maar in een duister woud. Hij weet aan deze duisternis te ontsnappen aan de hand van de Latijnse schrijver Vergilius en de mooie Beatrice, om te eindigen bij een flitsmoment van goddelijk inzicht.

Ik heb op mijn 57ste de middag van mijn leven al een tijdje achter mij gelaten en onderwijl nooit gedacht aan een moto of een nieuw lief. Ik weet intussen beter. Niet de helderste uren van de dag, met een zon die pijn doet aan half dichtgeknepen ogen, zijn de meest geschikte om de realiteit van het leven te aanschouwen, maar wel de ons in Vlaanderen vertrouwde grijze en bewolkte dagen, wanneer dat grijs je verplicht en soms straft om de koterij van het bestaan duidelijker dan ooit te zien in zijn tekortkomingen en vergankelijkheid. Zoals wanneer je op een trein van Lokeren naar Brussel spoort en de rommelige achterkant van de Vlaamse dorpsstraat aan je ziet voorbij glijden.

En zo komt het dat ik in de herfst van vorig jaar ben gestopt met schrijven. Een mooi afgeronde studie van jaren en een hard bevochten en gewonnen verkiezing waren hoogtepunten. Er was de opluchting van het afscheid als hoofdredacteur van het jaarboek van de oudheidkundige kring, een taak die ik twaalf jaar lang met plezier en naar best vermogen had vervuld. Het schooljaar moeten beginnen met de teleurstelling van een misgelopen job aan de universiteit hakte echter dieper op me in dan eerst gedacht, de troostende woorden van vrienden en collega’s ten spijt. En half oktober bleek het vat plots helemaal leeg. Niet dat ik een dag heb verlet op school of iemand onder mijn vermoeidheid heb laten lijden, maar ik kreeg geen zin meer op papier. Mijn hand lag lam, mijn geest voelde als een uitgewrongen spons. Ik had nog willen schrijven over het bakstenen oorlogsbeeldje van Koen Van Mechelen dat ik was gaan ophalen in de westhoek of over de deugddoende klimaatmarsen of over een intussen al vergeten ramp, maar de woorden kwamen gewoon niet.

De vooral grijze dagen van de voorbije winter leerden me te zien waar ik twintig jaar geleden op die middag van mijn leven, in alle overmoed, nog niet aan toe was: dat creatieve krachten niet onuitputtelijk zijn, dat de vergankelijkheid steeds nadrukkelijker voelbaar wordt, kortom dat een muur een muur is. En als het hoofd niet meer mee wil, weigert op een gegeven ogenblik ook het lijf en word je ziek. Zoals ik eind januari, begin februari, met wat op een longontsteking begon te lijken.

Gelukkig waren er goede boeken. Vaderland van Aramburo, L’art de perdre van Alice Zeniter en voor de tweede keer Een verhaal van leven en duisternis van de net overleden Amoz Oz. Gelukkig waren er de stevige wandelingen (met een nieuw paar steunzolen die mijn voeten ditmaal echt vooruit hebben geholpen). Gelukkig waren er genoeg vakanties te dromen, dichtbij en ook al verder in het jaar. Een half jaar pennenrust deed al bij al deugd en intussen begint het buiten toch opnieuw naar lente te ruiken. De krokussen bloeien hevig. Woorden klateren door mijn hoofd, zoals een riviertje rond het Ardennendorpje La Gleize, waar we de voorbije week enkele dagen doorbrachten. Laat de hemel nu maar verder uitklaren, al hou ik mijn grijze dagen wel nadrukkelijker in gedachten, heb ik mezelf beloofd.