Jurassic Park

Het was een wel heel oud landschap waarin we ons de voorbije weken begaven. Een dat zelfs zijn naam leent aan een geologische periode van 150 miljoen jaar geleden, de tijd van de dinosauriërs. In deze Jura, een groene strook aan de Frans-Zwitserse grens, kozen we de Doubs tussen Dole en Villers-le-Lac als rode rivierdraad voor onze jaarlijkse vakantie. Ook in recentere tijden vormde de streek van de Franche-Comté een geschiedkundig buitengewoon interessante uithoek die in de 16de en eerste helft van de 17de eeuw deel uitmaakte van de Nederlanden en dus door Spanje werd bestuurd!

Dole, een stadje dat ten tijde van Karel V een Europees belangrijke rechtenuniversiteit herbergde, plooide pas in 1678 voor Lodewijk XIV en is met de Doubs aan de voet van het hoger gelegen oude stadsdeel een charmante uitvalsbasis voor daguitstappen. Naar het megalomane La Saline bijvoorbeeld, een nimmer rendabel geworden zoutfabriek uit de late 18de eeuw, gebouwd volgens visionaire architecturale principes, en het uitgestrekte Forêt de Chaux. In Besançon was het vruchteloos speuren naar sporen van Antoine Perrenot de Granvelle, de allereerste aartsbisschop van Mechelen (1561-1583). Zijn graf was niet te vinden, maar wel zijn de Granvelles – zijn vader was een van de voornaamste raadgevers van Karel V – in naam overal in de stad aanwezig met een plein, een straat en een brasserie zelfs in de voormalige tuin van het imposante familiepaleis.

De week daarop verbleven we in een gîte van de sympathieke door Vlamingen uitgebate Auberge Chez Soi in Ougney-la-Roche. Geprangd tussen een rots (uiteraard) en de smalle oever van een traag vloeiende rivier. Het uitzicht vanuit onze luie zetel: zie foto in bijlage. Lummelen, niets doen en voor me uit staren in een groene oase, een Jurassic Park met mezelf als een van de warmte loom geworden diplodocus. Een week met een verbijsterend boek (De Dertigjarige Oorlog 1618-1648, van Dick Harrison) en regelmatig een drankje (bij voorkeur een anisette uit Pontarlier, waar we de distillerie Guy bezochten – ik moest er aan mijn overleden broer denken en hoe ik hem graag een fles lokaal gestookte absint – Fée Verte – had meegebracht). Twee lange wandelingen ook, een tot boven op de Rechandet, de rots boven Ougney, en een langs de vlakbij gelegen Cusansin, een zijriviertje van de Doubs. De zin hiervan? Diep en zuiver ademhalen, genieten van het kaartlezen en pijn voelen in knieën en kuiten. Om daarna met des te meer goesting een frisse pint te kunnen drinken op een schaduwrijk terras. Meer niet. Een culturele uitstap nog: naar Ornans, geboorteplaats van revolutionair schilder Gustave Courbet. Een lekker koel museum, met enkele mooie vroege werken (de top hangt in Parijs en de grote musea van de wereld), zoals een portret van zijn grootvader en een landschap met reusachtige eik. Buiten echter zo bloedheet dat mijn hersenen dreigden te verkoken en ik pas ’s avonds vloekend besefte vergeten te zijn het graf van Courbet op te zoeken. De rivier stroomde traag voorbij, de week echter niet. Op de terugreis nog een inspirerende halte in Ronchamps, waar de anders zo strakke en rechtlijnige Le Corbusier in 1954 een baanbrekende kapel bouwde die veel weg heeft van een golvende paddenstoel, met uitzicht op de Ballons van de Vogezen.

Waarom gaat een mens op reis, was de vraag in een essay in De Groene Amsterdammer die ik had meegenomen. Maakt deze jaarlijkse trip mezelf interessanter of wijzer? Moet ik geloven wat Nietzsche schrijft, dat een mens door de vermaledijde erfenis van Plato en het christendom het ware, echte leven nooit in de dagelijkse werkelijkheid, maar altijd elders wil zoeken? Of gaat het in de onttoverde wereld die ons omringt om een nostalgische zoektocht naar wat nog kan betoveren. Van al die vragen droomde ik weg en viel ik in slaap, daar aan de oever van de Doubs. De tijd smolt er weg (niet moeilijk ook bij 38 graden) en zachtjes liep ik leeg van een druk jaar. Dat is wat vakantie voor mij echt betekent. Zachtjes mogen en kunnen leeglopen. Voor even toch.