Historisch

De superlatieven vlogen rond de oren, gisterenavond en deze morgen. “Goddelijke duivels (uitroepteken – mooi oxymoron trouwens).” “Een historische overwinning (nog meer uitroeptekens).” “Deze generatie heeft geschiedenis geschreven (een elftal aan uitroeptekens).” Goed, de Belgische voetbalploeg heeft in een spannende wedstrijd Brazilië, de beste ploeg van het toernooi, verslagen, met iets meer geluk zelfs dan kunde (cf. die owngoal en twee gemiste reuzenkansen) en mag het nu tegen Frankrijk opnemen in de halve finale van de wereldbeker, maar om dit nu historisch te noemen… Afgaande op de beelden van dolle en met bier gooiende menigten zou ik eerder aan “hysterisch” denken. Niet dat ik iets tegen dit soort van tribaal sentiment heb of er totaal ongevoelig voor ben. Het laatste kwartier van de match heb ik rechtstaand gevolgd, stijf van de zenuwen, om uiteindelijk bij het laatste fluitsignaal met een zucht van opluchting languit in mijn zetel te landen.

“Historisch”. “Geschiedenis geschreven”. Wie de voorbije weken zeker geschiedenis heeft geschreven, ben ik zelf. Nee, geen zonneslag of last van de aanhoudende hitte. Ik herhaal: ik heb geschiedenis geschreven. Zeventiende-eeuwse meer bepaald, over het veelvoudige plichtsbesef van een Mechels aartsbisschop die zich tussen 1621 en 1655 staande diende te houden in een periode dat oorlogen onze gewesten teisterden. En ik moet dat behoorlijk goed gedaan hebben, afgaande op de 17/20 die ik als cijfer voor mijn masterscriptie heb meegekregen. De grootste onderscheiding waarmee ik nu na vijf jaar deze studies heb afgerond, voelt nog altijd lichtjes euforisch aan. Misschien zelfs vergelijkbaar met de euforie gisteren van ‘onze’ voetballers en de hele natie. Alleen heb ik geen vreugdedansen gepleegd en ben ik niet juichend in de nek van mijn huisgenoten gesprongen (ik was alleen thuis trouwens). Maar, de vergelijking met deze overwinning gaat eigenlijk niet op, want ik zou niet weten wie of wat ik overwonnen heb, tenzij mezelf in gemakzucht. Wel heb ik heb na het lezen van mijn rapport van contentement een Westvleteren gedronken (en er zeker niet mee gegooid – dat is goed voor slappe Jupiler). Twee zelfs, een meer dan ik normaliter aankan.

Nee, het belangrijkste feit van de voorbije week is voor mij niet deze Belgische victorie, maar het overlijden van Armando (°1929), in mijn ogen de grootste Nederlandse kunstenaar van de naoorlogse periode, Willem de Kooning niet meegerekend (maar die was al in de jaren 1920 naar de Verenigde Staten gemigreerd). Een heftig leven, heftige kunstwerken waarin hij de soms pijnlijke geschiedenis niet uit de weg gaat, heftige teksten over de zwarte kanten van de Nederlandse samenleving van de jaren 1940. Hij heeft echt “geschiedenis geschreven”. Zijn (kunst)historisch belang is misschien groter dan velen nu al beseffen. Maar, dat komt later wel, als de temporele afstand die grootheid uitklaart. Zoals men de omvang van de berg maar ziet als men in de vallei staat, niet als men het pad langs de flank loopt. Het rouwbericht in NRC-Handelsblad van vandaag citeert uit Herenleed, een televisiereeks met absurdistische sketches, “programma van weemoed en verlangen”, waarin Armando man 1 speelde (en Cherry Duyns man 2):
Man 1: Alles wat geweest is, kwam dat?
Man 2: Dat kwam.
Man 1: En als het kwam, komt het dan niet meer?
Man 2: Nee, het komt niet meer.

Dit zegt alles over Armando’s relativerend vermogen, over de relativiteit bovendien van het leven en de geschiedenis, Rode Duivels inbegrepen. En bovendien, als het winnen van een kwartfinale al ‘historisch’ is, wat moet een mens dan nog schrijven bij het eventuele winnen van de finale? Dat het kwam, en niet meer komt? Bijvoorbeeld.