Ite missa est

Het voelde vreemd aan, gisterenavond. Een duw op de knop en mijn masterscriptie, de apotheose van vijf jaar Gentse studies, was de digitale snelweg op. De gedachten waaierden daarna rijkelijk uit. Naar de onverbiddelijke snelheid waarmee de tijd was gevlogen. Naar de rijkdom van kennis waarvan ik een verse glimp had mogen opvangen. Naar het geluk dat ik in de studie en het pendelen naar Gent had gevonden. In mijn dankwoord schreef ik hoe in die scriptie meerdere levenslijnen waren samengekomen, een eerste al van toen ik zestien jaar oud was. Van Werner Stuyven, mijn leraar Latijn en Grieks en grote voorbeeld in de liefde voor oude talen en cultuur, ‘mocht’ ik voor straf enkele visitationes uit het pas gepubliceerde Itinerarium van Gents bisschop Antonius Triest (1623-1654) vertalen. Verslagen van een rondreizende bisschop die lokale pastoors controleerde op hun godsdienstige rechtlijnigheid en hun fouten rapporteerde. Prikkelende verhalen over te knappe dienstmeiden, nogal wat ongeoorloofd cafébezoek en schoolmeesters die het slechte voorbeeld gaven aan hun leerlingen. Een goudmijn van informatie ook over het dagelijks leven in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De straf was onterecht. Medeleerlingen hadden op de speelplaats zonder dat ik had gemerkt een taak uit mijn boekentas gehaald om te kunnen overschrijven en waren betrapt. Maar ik had toen nooit kunnen vermoeden dat ik een onterechte straf veertig jaar later zo dankbaar zou zijn. Ik had het Werner graag willen vertellen, bij een glas metaxa, maar hij overleed in 2010 aan een te gulzig leven.

Nog enkele lijnen. Na dertig jaar lesgeven was ik mezelf behoorlijk sleets gaan vinden en dreigde de ‘verhottentotting’, een woord dat een orakelende Herman Note, ook wijlen, me ooit meegaf om me te waarschuwen voor intellectuele luiheid. Daarom begon ik, in milde jaloezie op een goede vriend die er een jaar eerder aan begonnen was, in 2013 geschiedenis te studeren. Een grondige kennismaking met de institutionele geschiedenis van de vroegmoderne Nederlanden, mijn weg leren vinden in grote archieven en handgeschreven bronteksten uit de eeuw van Triest mogen lezen, waren de drijfveren bij een onderneming die sommigen waarschijnlijk als een uit de hand gelopen midlifecrisis hebben bestempeld. En als het even kon, wou ik als classicus ‘iets’ doen met mijn kennis van de Latijnse taal.

Ik was dus professor René Vermeir, wiens lessen ik in het eerste en tweede jaar zeer graag gevolgd had, dankbaar (meer dan hij kan beseffen) dat hij mij een onderwerp kon aanbieden dat aan mijn studiewensen helemaal tegemoet kwam. Jacobus Boonen, bisschop van Gent (1616-1621) en daarna aartsbisschop van Mechelen (1621-1655), bleek nog terra incognita te zijn en of ik het zag zitten om hier iets mee te doen? Eerst voor de bachelorproef, bij wijze van kennismaking met het onderwerp, en daarna als masterscriptie? Ik was meteen verkocht. Intussen is mijn geschiedkundige hoogmis uit, het lof gezongen. Een paar jaren van spannend archiefonderzoek (het aartsbisschoppelijk archief in Mechelen was in de zomer, met het raam open en de beiaard op de achtergrond, een plek waar ‘zaligheid’ binnen handbereik kwam) en heel wat voldoening later is de scriptie afgewerkt en hangt zij nu in de Gentse universitaire ‘cloud’ te wachten op een professorale eindzegen.

Vorige week stroomde een sms in mijn mailbox. Van een oud-leerlinge. Ze geeft zelf al ruim tien jaar les en had aan haar leerlingen verteld over het belang van leraren als inspiratiebron en in het maken van keuzes, en wou me laten weten dat ze daarbij aan mij gedacht had. Haar woorden vielen toevallig samen met dankbare overpeinzingen aan mijn eigen leraren, deden me blozen en vervulden me van een diepe genegenheid. Het gevoel een schakel te kunnen zijn in het doorgeven van inspiratie aan leerlingen levert brandstof om nog enkele jaren te kunnen doorgaan met lesgeven.

En wenkt nu niet het zwarte gat, vroeg iemand me. Neen, maar de knop in mijn hoofd gaat straks wel grotendeels om. Gedaan met studeren, met redactiewerk ook voor een historisch jaarboek, iets wat ik al twaalf jaar doe. Geen denkwerk meer, geen artikeldrift of examenstress. Mijn hoofd begon soms veel te groot aan te voelen voor een nogal altijd redelijk smal lijf. Mijn schouders konden dat geestelijk universum, waarin gedachten als vallende sterren alle kanten uitschoten, amper nog dragen, voelde ik. Rust is hoognodig (ik zal dit nog wel moeten gewoon worden, vrees ik). Ik ga daarom volgend jaar bladeren bijeenharken en taarten leren bakken. Zoiets.