Koud

Woensdagavond. Ik lig te woelen in mijn koude bed en slaap de slaap van bedrogenen. Een grote liefde is me ontroofd naar vreemde oorden. Lezer, schrik niet. Het gaat niet om die wier naam ik al bijna dertig jaar met hoofdletter schrijf, maar om de school waarmee ik in mijn werkende leven intens verknoopt ben geraakt.

Ik herinner het me goed, toen ik – een knaap nog – haar voor het eerst zag. Het was een maandagochtend, 10 oktober 1983. Verleidelijk, fris, prikkelend. Ik wist niet waar ik het had. Haar transparante jongemeisjeskleed, van een bekoorlijkheid die me meteen opwond en lang is blijven opwinden. Fier was ik en de koning te rijk dat ik me in haar warme armen mocht vleien en kon genieten van haar blik waarmee ze te kennen gaf dat wie veel gaf, ook veel kon terugkrijgen. En dus gaf ik, wat vakken en mezelf, en kreeg een leven terug dat tot ver voorbij de klas reikt, voorbij de muren van de school en voorbij de dag ook dat ik, ooit, de schoolpoort achter me zal dichttrekken. Ze daagde uit, lokte soms hevige discussies uit, maar hield niets verborgen. Ze voedde velen aan haar weelde en leende anderen haar vleugels om hemelen te bestormen en oceanen te dwarsen. Spirit of Saint-Louis.

Dat transparante kleed, dat ik al die jaren mee mocht haken, heeft ze verruild voor dikke, ondoorzichtige gewaden. Wantrouwen sloop in haar blik. Behoedzaamheid en berekende aarzeling. Ze keek weg wanneer ik haar ogen zocht. Haar zachte, koesterende armen begonnen koud en slap aan te voelen. Ze liet zich nog moeilijk liefhebben en maakte zich op voor andere minnaars, zag ik. Ik voelde de verwijdering en zou er iets aan doen en sprak in de boute taal die ik hier had leren spreken.

Maar de school antwoordde niet zelf. Anderen spraken door haar mond. Een kreupel dialect. Een doffe zingzang van campus hier en campus daar. Ik kreeg al eerder te horen dat ik iemand van de traditie ben en moest beseffen dat er ook nog zo iets is als ‘innoverend denken’ en ‘creativiteit’. Woorden als bazuinstoten, die met vertraging een barst sloegen in de muren van mijn onverwoestbaar geachte liefde. Een houw door mijn hart. Ik had het eerst niet goed verstaan en nog veel minder begrepen. Zovele jaren voor de klas, dagelijks in de weer met jonge mensen, met geduld en mededogen en zorg en begrip, en dan deze toeterklanken uit een bazige megafoon. Mijn school is waarlijk hees gaan klinken. Gaat vreemd. Schrijdt glimmend en glanzend over de ogen van de wereld, kleurrijk gestift en wapperend in de wind, en laat zich elders helemaal uitkleden.

Het is koud, buiten en in bed. Kilte sluipt tussen de ooit behaaglijke lakens. Ik die dacht dat mijn vurig hart nimmer zou versagen, lig uitgeteld op een verkleumde matras. Bijna had ik andermaal mijn pen geslepen en me in het vertrouwde verbale harnas gehesen. Het hinnikende paard van mijn strijdbaarheid stond gezadeld, de formules van vroegere successen waren gebeden. Anderen, collega’s, namen ditmaal het woord en legden vrank en vrij hun hart en verstand in de waagschaal. Maar het bleek hopeloos strijden tegen een onvermurwbare overmacht. Paradise Lost. In mijn hoofd gonst Bart Peeters’ Tot je weer van me houdt: “Dat ik moet verstaan / dat vroeger vroeger was / al besef ik dat dus nu maar pas / dat het nooit meer zal zijn zoals het ooit was.” Ik besef, ik ben haar kwijt. Mijn natte ogen vriezen vast aan een vervagend beeld. Ik word fan van mijn iets verdere toekomst.