Daar bij die molen

Molens zijn fascinerende bouwsels. Mij herinneren ze aan gezinsuitstappen naar het havendorp Doel, samengevouwen op de achterbank van een te kleine Fiat 850, en de pannenkoek in de Scheldemolen op de dijk. Ze voeren me terug naar de tijd dat ik op een zanderig pleintje bij de Sint-Niklase Witte Molen met leeftijdgenoten balletjes trapte. Prettig detail: we lesten onze dorst en kochten snoep in een kruidenierswinkeltje in de aanpalende Azalealaan, toen opengehouden door wie veel later mijn schoonmoeder werd. Ik moet dus toen als kind van elf, twaalf jaar al oog in oog gestaan hebben met mijn echtgenote… Op mijn zestiende vond ik tussen de schoolboeken van mijn moeder de Lettres de mon moulin van Alphonse Daudet, waar ik weg van was. Ik droomde er zelfs van om ook ooit in een molen te gaan wonen.

Mijn studiejaren voerden me met de trein elke week op en af naar Gent, langs Lokeren, waar toen een oud exemplaar meelijwekkend stond te verkommeren in een wei langs het spoor. Toen ik in 1989 in Lokeren kwam wonen, leerde ik deze Heirbrugmolen wat beter kennen. De stenen bovenkruier was in verval, maar werd in 2002 gelukkig gerestaureerd en maalvaardig gemaakt. De maalderij, waarop in oude verfsporen reclame leesbaar was voor Het Nieuws van den Dag – als mijn geheugen me niet in de steek laat – en het aanpalende molenaarshuis werden echter gesloopt. Dat laatste onwettig, en als voorzitter van de Cultuurraad lanceerde ik toen in samenwerking met Lokerse bakkers een ‘molenbrood’, met een broodzak waarop als protest tegen die afbraak het molenaarshuis toch afgebeeld stond. Na een verloren proces werd het stadsbestuur verplicht om het huis in de oorspronkelijke staat weer op te bouwen.

Het voorbije jaar werd de stad eigenaar van de volledige site – een groot deel ervan was daarvoor als weide verpacht. Op de gemeenteraad van mei 2017 nodigde ik het bestuur daarom uit om samen werk te maken van een totaalplan, maar deze oproep vond geen gehoor. In mijn drang om dan maar zelf iets voor te stellen, trof ik Hans, expert in planten en bloemen, en als kleinzoon van de voor de Heirbrug legendarische Maurice Baeté opgegroeid in de schaduw van de molen. Samen schreven we een blauwdruk voor het hele terrein, die we voorlegden aan een tiental buurtbewoners. Zij gaven opmerkingen en vulden aan. Het resultaat stelden we vorige week voor aan de pers.

Wat we willen is eenvoudig, niet eens zo duur om te realiseren en laat zich in drie hoofdlijnen samenvatten. Om te beginnen willen we een betere toegankelijkheid, met vooral een fietspad vanuit de Verbindingsstraat dat doorloopt tot in de Heirbrugstraat. We vragen ook erfgoedkundig verantwoorde aanplantingen op en rond de site, met houtkanten van rode kornoelje (een houtsoort die voor molenonderdelen werd gebruikt) en bloemen- en vruchtenrijke planten en kruiden op de molenberg en in de spoorwegberm (goed voor de bijen). Tenslotte is het terrein een grote groene oase in een zeer druk bebouwde veelkleurige buurt van de Heirbrug, waar kansen liggen voor tal van buurtverbindende initiatieven, zoals een ecologische en historische verantwoorde ‘samentuin’ (met oude en vergeten groenten voor bijvoorbeeld een ‘molensoep’ in de brasserie) of een collectieve buurtoven (‘oveken’, naar Koveken). Ideeën komen daarbij uiteraard best van onder uit, van de mensen uit de buurt zelf, eventueel zelfs gefaciliteerd door een wijkbudget.

Maar naar ik me nu laat vertellen, is het bestuur in creatieve armoede intussen niet veel verder gekomen dan een plan voor een autoparking (die niet minder dan 1/3 van het terrein zou innemen), een korenveld en een zoveelste petanqueplein (jullie zijn petankt, stadsbestuur!). En laten we hopen en bidden dat het ooit opgelaten ballonnetje van die ene schepen om er een soort Bokrijk op te richten met oude landbouwwerktuigen intussen is afgevoerd. Kan het daarom alsjeblieft snel 14 oktober worden?