Begin en einde

De opstart van mijn nieuwe schooljaar spoorde heel erg met de aanhef van het boek Genesis: in den beginne was er chaos. Maar waar in het oudtestamentische scheppingsverhaal tenminste nog de geest van God over de wateren zweefde om de klus op zes dagen te klaren, leek die van Sint-Lodewijk te zijn verdronken in het onpeilbare zwart van de Durme. Ook de extra marge van een dag offerfeest op 1 september bracht geen verlichting, maar alleen de in mijn geval zelfs bizarre opdracht titularis te zijn in een klas waar ik geen Latijn geef. Ik had me een tofferfeest gedroomd. Maar omdat ik me zo flexibel weet als een Latijns zelfstandig naamwoord, heb ik leren berusten, verlangend uitkijkend naar het moment waarop ik de klasdeur achter me kon sluiten en me helemaal kon overgeven aan datgene wat ik nu eenmaal altijd al graag gedaan heb, en nog doe, namelijk lesgeven en nieuwe leerlingen bezielen met oude verhalen.

Wat wel in orde was, ruim voor het einde van de vakantie: een zogeheten ‘visual’, lees: een honderd vierkante meter groot horror vacui aan de straatmuur van de voormalige Presentatie, nu zusterschool Creo. Een visual – ik had van het woord nog nooit gehoord – zo groot als mijn stadstuin (waarachter intussen een moskee verrijst, waardoor ik mijn nu Noord-Afrikaans aandoende tuin herdoopt heb tot Tuinesië). Met de wervende slogan ‘Fan van mijn toekomst’. Ik ben met mijn krakende knieën en een hardnekkig voetprobleem al lang geen fan meer van mijn toekomst, maar ik denk dat de slogan ook niet (meer) voor mij bedoeld is. Moeten zich wel aangesproken voelen: het mooie koffie-met-melkkleurige meisje met de vier schoolkleurtjes in heur weelderige haardos en de jongen met die vreemde duikersbril. Ik liet me door mensen die het kunnen weten uitleggen dat het een virtuele bril betrof. Een waarmee je dingen kan zien die er niet zijn. Nu, om bij ons op school dingen te zien die er niet zijn, is geen virtuele bril nodig. Zoals: voldoende toiletten. ‘To pee or not to pee’ is stilaan voor velen ‘the question’ tijdens de korte speeltijden.

Dit rommelig begin viel gelukkig samen met het stralende einde van de carrière van een groot renner. Op het puntje van mijn zetel zat ik op 9 september, voor de voorlaatste rit van de Vuelta, de voorlaatste van Alberto Contador. Niets geen boekhouder, zoals zijn naam betekent, of een rekenend renner zoals rivaal Froome, maar een aanvaller pur sang. Als hij won, was het heroïsch, als hij verloor, ook, maar dan tenminste strijdend tot de laatste snik. De rit van die dag voerde naar de top van de Alto de Angliru, een veredeld geitenpad met onmenselijke stijgingspercentages. Hij viel aan, ruim voor de voet, en hield met luttele seconden voorsprong stand. Ik beken, ik heb hem mee over de meet geschreeuwd. Een zot emotioneel moment, dat me terugvoerde in de tijd. In de Tour de France van 2009 (die hij won) zagen we hem met het gezin de Col de l’Escrinet opvlammen in de Ardêche. Daags voor de rit hadden we in ons vakantieverblijf een spandoek gemaakt met een oud laken, twee bezemstelen en een spuitbus. Daarop de slogan: ‘(C)on t’adore!’. Ik, toen met een bolletjespetje van een sponsorende supermarkt op het hoofd, herinner me nog het gesnuif en gerochel van de voorbij stomende kopgroep. Een zucht van seconden, meer niet. En wij maar zwaaien met het spandoek. Toen al fan.

Intussen schrijdt september zomerlijk voort met zonnige dagen die er in augustus te weinig waren. Het zwaar geladen schoolschip is al een eindje de vakantiehaven uitgeprutteld. De lucht is zwanger van eerste toetsen, collegebarbecue en studieuitstappen. Ik sta op het dek en proef de bries van een zoveelste schooljaar. Als het leven en de regeringen meezitten, zwaai ik af met de lichting die nu in het eerste jaar gestart is, flitst door mijn hoofd. Nog zes te gaan dus. In het zevende zal ik dan rusten.