Sinsin

Een onooglijk gehucht tussen Namen en Marche, opzij van de N4. Een paar honderd inwoners. Weiden en hier en daar een toef bos boven op de heuvels. Een landschap dat in een zachtgroene jurk wellustig begint op te bollen richting Ardennen. Seinsein. Daar zat ik op 14 augustus op een krakkemikkige stoel, aan de rand van wat bomen waartussen een chalet, te staren naar velden bevolkt door koeien. Zonder dat het verveelde. Nieuw waren de windmolens in de verte, maar ook een spuuglelijke kippenkwekerij in de plooi van een heuvel, van het soort waar fipronil door de kieren gaat. Terwijl een zogenaamd wereldleider branden aanwakkerde in een stadje met ook een mooie naam, hielden wij het bij een bescheiden barbecue. De zachte augustuswind waaide de geur van steak (de kip heb ik aan mij laten voorbij gaan) en herinneringen aan. En ’s avonds telde ik vallende sterren in een open hemel.

De ouders van mijn schoonvader waren hier ooit tijdelijk neergestreken om er een zomercamping uit te baten, en hadden hun kinderen elk een stukje bosgrond nagelaten. Voor mijn caravanminnende schoonouders volstond een tuinhuis, de anderen bouwden en verbouwden op hun perceel een chalet. Het meest comfortabele daarvan gebruikten we enkele keren als kort vakantieverblijf. En nu opnieuw, na alweer zes jaar geleden (de laatste keer dat we hier waren, won Philippe Gilbert zijn Luik-Bastenaken-Luik, op 1 mei 2011). Met de ganse familie ditmaal, voor wat misschien een afscheid aan deze streek zou kunnen zijn (waar is iedereen over nog eens zes jaar?).

We strandden er met een kaduke auto, een woestijnkleurige Volkswagen Derby, na een huwelijksreis in Italië, waarbij we in één keer vanuit Firenze tot Sinsin waren gereden uit schrik om stil te vallen. We gingen er in sneeuwkoude maart- of aprildagen obligaat eieren rapen met de kinderen, toen die nog in de paasklokken geloofden. Maar bovenal beleefden we er een van de meest onwaarschijnlijke en hilarische momenten van ons leven. In het jaar dat we trouwden (1989) zouden we met een al even vers getrouwd koppel vrienden een lang weekend doorbrengen in de caravan die mijn schoonouders er hadden laten staan. In die ene onbewaakte nacht was er evenwel ingebroken (de koffiekan was gestolen). Niet meteen geruststellend, en daarom besloten mijn vriend en ik om, terwijl onze echtgenotes de afwas deden (jaja), heel stoer, gewapend met een zaklamp, de chalets in de buurt te gaan controleren. In het iets verder afgelegen chalet van de tante van mijn vrouw, zagen we licht… En toen we met bonzend hart (dit lijkt wel een aflevering van Vlaamse Filmpjes) dichterbij kwamen, stapte een vrouw buiten om te vragen wie we waren. We stelden ons netjes voor (zo zijn we): ik zei dat ik de schoonzoon was van de broer van de eigenares van het chalet en dat we eens kwamen kijken of er niet ingebroken was. Zij bleek de beste vriendin van de tante en nodigde ons binnen. In de zetel zat een man die al even hard moet geschrokken zijn als wij: mijn superior (nu heet dat directeur) van school én priester, die ons een maand daarvoor getrouwd had… Blijkbaar – dat hoorden we achteraf – waren de twee een koppel en hadden we hen hier in hun liefdesnest betrapt. Op de vraag of we iets wilden drinken, stamelden we dat we onze vrouwen in het donker niet te lang alleen wilden laten en dat ze bedankt waren voor het aanbod en dat we er maar beter meteen vandoor gingen. We hadden iets om te vertellen bij onze terugkeer aan de caravan.

Ik zag dit alles opnieuw voor me, toen ik daar aan de rand van het bos uitkeek over de weiden met achter bomen het bewuste chalet, en telde de jaarringen van mijn getrouwd leven. Rond me de vertrouwde stemmen van mijn dierbaren. Bij de vallende sterren hoefde ik – heel even – me niets méér te wensen.