O Fortuna

Of hoe domme vergetelheden soms goed kunnen uitdraaien. Het overkwam me in korte tijd tweemaal. Dat gevreesde proefwerk Romeins recht, waarvoor ik drie kwartier te laat kwam en zodoende mijn tijd met bijna de helft gereduceerd zag (zie de vorige blog), leverde me een ongelofelijke 19 (negentien) op. Lang had ik niet kunnen nadenken over de vragen, en blijkbaar was dat nog niet zo’n slechte zaak geweest.

Een tweede stommiteit met goede afloop betrof onze julireis. Ik had in januari al – we boeken graag vroeg – gepolst naar een appartement in een door vrienden aanbevolen Ferienwohnung in Nauders (Oostenrijk), dat vrij bleek voor de door ons gewenste periode. Toen ik een paar dagen voor afreizen contact opnam met de eigenares, bleek ik de reservatie niet bevestigd te hebben. Weg appartement. Er was wel nog een (goedkopere) Zimmer Frei voor eveneens een hele week, maar enkele dagen later dan gedacht. Dus maakten we van de nood een deugd en in plaats van nog enkele dagen na te blijven ergens in Duitsland, gingen we daar op zoek naar een vakantieprelude. Dat werd Ohlstadt, vlak bij Murnau, een uurtje onder München, in een klein hotel met de originele naam Alpenhotel. Murnau, stadje aan de Staffelsee waar de schilder Kandinsky gedurende enkele jaren als blaue Reiter zijn oud-leerlinge Gabriele Münter bereed (om haar daarna te verlaten voor een ander…). Ik hoopte in Murnau de geest van Kandinsky te kunnen ontwaren, maar dat viel tegen. Wel een ongelofelijke ervaring was een bezoek aan het Franz Marc museum in het naburige Kochel am See, met een fantastische collectie schilderijen van leden van die Brücke en der blaue Reiter. Zelden zoveel moois bij elkaar gezien van stromingen in de schilderkunst die me bijzonder dierbaar zijn, in een zeer modern gebouw, boven een door bossen omgeven meer. Een eerste absolute wow-ervaring. Ook de moeite: het al even nabije klooster van Benediktbeuren, waar in 1803 het manuscript van de Carmina Burana (genoemd naar Beuren) werd gevonden. O Fortuna! Daar een stukje huwelijk bijgewoond in de zeer barokke kloosterkerk, met een publiek in traditionele Lederhosen en frivole Dirndl. En tenslotte nog een dag München, heel relax, met een vlotte en goedkope treinrit vanuit Ohlstadt. Druk, zeer druk, voor wat de laatste koopjeszaterdag van de zomersolden leek. In de overdadige Pinakothek der Moderne een aangenaam gesprek gevoerd met een jonge suppoost van Somalische afkomst, in haperend Duits, over een monumentaal werk van Anselm Kiefer en de link met Paul Celan.

Na een indrukkenrijke culturele tweedaagse tussen iets te veel mensen werd het hoog tijd voor ijle maar zuivere berglucht en het eenzame zuchten langs steile paden. Nauders, dorp aan de Reschenpas, een historische overgang van Oostenrijk naar Italië, is een perfecte uitvalsbasis voor wandelingen op en rond de grens met genoemde landen plus Zwitserland. Ook hier werd in de bergen duchtig gesneuveld tijdens WOI, toen het Oostenrijk-Hongaarse keizerrijk in oorlog was met Italië. Infoborden langs de door ons helemaal ‘gelopen’ (lees: gehijgde) Kaiserschützenweg (bijna recht tegen een berg op, langs ijzeren trappen, staalkoorden en over bruggetjes waaronder honderden meter niets, tenzij een kolkende Inn) gewaagden van ruim 15.000 doden daar aan Oostenrijkse kant, vooral door kou, lawines en blikseminslagen. Oorlog bij min 20 graden op meer dan 3000 meter hoogte, het bleek al bijna even moordend als in de zompige klei van de Westhoek.

Omdat de knieën soms wat rust behoefden, spoorden we ook een dagje naar zonnig Merano in Italië. Mijn hoop om eens een dag geen Duits te moeten kauwen en te mogen overgaan op Italiaans, verzwond snel. In Merano, tachtig kilometer diep in Italië, is de voertaal ‘noch immer Deutsch’… Aanraders verder nog: Pizzeria Irene op de Reschenpas (goede pizza’s en half litertje Rotwein voor 20 euro). Een bezoek aan Altfinstermünz, een grensvesting over de Inn waarvan de oorsprong teruggaat op de Via Claudia Augusta uit de Romeinse tijd – verbindingsweg tussen Italië en de legioenen aan de limes in het noorden. Een stevige wandeling langs de Schwarzsee, de Grünsee en het Dreiländereck op 2200 meter hoogte, en zo verder naar de Reschenalm, waar je lekkere taart en koffie kan krijgen. Boven op de top, waar het omwille van het uitzicht drummen is, sprak iemand met een Sporting Lokerenlintje aan zijn rugzak me aan met de woorden: “Ben jij niet van Lokeren? Ik ken jou van ziens…” Tja.

Nog de moeite: de verdronken kerktoren van Graun, dorp dat door een na WOII aangelegd stuwmeer onder water kwam te staan. Met de bewoners werd daarbij totaal geen rekening gehouden. Zij moesten maar zien dat ze verhuisden, volgens de triest stemmende infoborden. Het leverde wel een merkwaardig beeld op van een 14de-eeuwse romaanse toren die boven het water uitrijst. En tenslotte: onze Zimmer zelf, in Haus Arnika. Vanuit onze kamer een duizelend uitzicht op de bergen, ondanks het niet altijd goede weer. Wanneer het in het dorp geregend had (en dat deed het meermaals) bleek er achteraf telkens sneeuw tegen de donkere bergtoppen aangewaaid, die wel opnieuw verdween in de middagzon. Zoals ik nu – op mijn prille 56ste – in de spiegel ook tegen mijn top de sneeuw heviger zie aanwaaien dan tevoren. Maar die blijft helaas liggen. O Fortuna...