Al het mijne is het uwe

Op zondag 7 mei overleed in Breskens priester en beeldend kunstenaar Omèr Gielliet, op een week na 92 jaar oud. Een goed en wonderlijk man, die ik de afgelopen jaren tweemaal heb ontmoet. De eerste keer was bij de zoektocht naar de maker van de expressieve Christus in de inkomhal van mijn school. De geschiedenis, de sporen van het verleden van de school interesseerden me altijd al, en voor de rubriek zwerfgoed van ons infoblad wou ik daarom weten waar dat beeld, waar dagelijks honderden leerlingen en collega’s voorbij lopen zonder er acht op te slaan, vandaan kwam. Buurman en kennis Ad Goos, in een vorig leven zelf priester, verwees me door naar zijn goede vriend Omèr, pastoor in het Zeeuws-Vlaamse Breskens.

Je kon er niet naast kijken, zijn kerk. Op het eerste zicht eerder een loods of sporthal, met in de voortuin een massa monumentale houten sculpturen, die veel weg hadden van indiaanse totempalen zoals ik die kende uit Kuifje in Amerika. Ik liep achterom en botste op een man met lange grijze haren, bezig met het bewerken van een ruwe boomwortel. We raakten meteen aan de praat, en hij legde uit hoe hij van ‘verloren’ hout, omgewaaide bomen, wrakhout aangespoeld op het strand van Breskens, of prehistorisch hout zelfs, opgedolven bij de uitbreiding en het baggeren van het kanaal Gent-Terneuzen, beelden maakte, vaak religieus geïnspireerd. Voor hem dienden geen bomen gehakt te worden, hij behielp zich wel met de resten, zei hij. Waarop hij mij, een volslagen vreemde, meteen een gastvrije boterham en tas koffie aanbood.

Van wrakhout iets moois maken, spoorde ook helemaal met zijn roeping als priester en zijn kijk op mensen. Gielliet was een pastoor met een heel eigen visie. Aan het pauselijk Rome had hij lak en binnen de kerk ging hij, na een geloofscrisis in de jaren 1960, vooral zijn eigen sociale en ecologische weg. Hij ving ook mensen op in zijn eigen huis onder het motto: al het mijne is het uwe. Het Koerdische vluchtelingengezin dat hij lang geleden onderdak verleende, heeft hem nu tot aan zijn dood verzorgd, zodat hij thuis is kunnen sterven.

De tweede keer zag ik hem bij de viering van zijn 90ste verjaardag. Ik had van mijn directie toestemming gekregen om de opendeurdag te mogen brossen om bij deze viering aanwezig te kunnen zijn. Een bomvolle kerk, mensen tot buiten, en de feestelijke voorstelling van een huldeboek, met zang en toespraken. Indrukwekkend en warm, ondanks de regenvlagen van over de nabije Noordzee.

Je moet geen gelovig mens zijn om voor iemand als Omèr bewondering en diep respect te hebben. Zijn leven stond in schril contrast met die zelfverklaarde christenen en vele anderen wier motto eerder luidt: al het uwe is het mijne. Laat ik hier daarom hulde brengen aan hem, de mens, de beeldhouwer, de priester, die groot was in bescheidenheid, authentiek en rechtvaardig, een voorbeeld voor velen.