La La Land

De dwingende routine van de voorbije schoolweken, de twee Gentse examens die dienden te worden afgelegd en de emotionele vermoeidheid die – merk ik nu pas – binnensloop in de overrompelende dagen van december en januari, hebben mijn stem gesmoord. Niet dat er al die tijd niets was wat tot een overweging op deze pagina uitnodigde. Integendeel. Maar het lukte gewoon niet. Vandaag toch een poging, met een vraag om begrip voor de heesheid van deze tekst.

Zo ik verzeilde begin februari een beetje toevallig in een cinemazaal voor de film La La Land. Een verhaal zo plat als een pannenkoek: koffiebarmeisje droomt van een carrière als actrice, jongen is een miskend jazzgenie dat niets liever zou willen dan een eigen jazzclub. Ze vallen voor elkaar, maar hun liefdespad loopt niet over rozen. Slagen in hun all American en met Hollywoodsaus aangedikte sprookjesdroom doen ze wel, maar met de liefde komt het (oh, wat jammer) niet meer goed. “Le temps de baisers pour deux chemins ne dure qu’un carrefour”, zong Brel al in het ontroerende Le prochain amour. En tussendoor zingen ze wat – het is per slot van rekening een musical – en zijn er dansjes in soms opperbeste bubblegumstijl, met uitwaaiende rode, groene, blauwe en gele rokjes. Zovele knipogen ook naar films als Casablanca en acteurs als Fred Astaire en Ginger Rogers, dat het pijn doet aan de ogen.

Dat La La Land aanspraak maakt op 14 (veertien) Oscars zegt veel over de wereld van vandaag. De film is escapisme van de zuiverste soort, “what the world needs now”, blijkbaar. Weg van een wereld die beter Lie Lie Land zou heten. Of nog (in mijn achtertuin): (Al)lah Lah Land. Wat we de voorbije weken in de wereld aan leugens en in het beste geval halve waarheden bij elkaar gezien hebben, doet toch nog wel verbazen. De Amerikaanse politiek zet uiteraard dag na dag de toon, met een onuitstaanbare brulboei aan het hoofd. Kan trouwens niet eens overwogen worden om – bij wijze van verademing – in de berichtgeving wekelijks minstens één of twee Trumploze dag(en) in te lassen? En wat dan vorige week met dat schouwspel dat onze eigen politici van de traditionele partijen ten beste gaven en nog geven, de Balthazars, Brackes, Kennissen en tutti quanti? Al die smakeloze graaitoestanden bevestig(d)en me alleen maar in mijn al eeuwenlange politieke voorkeur. Ter info: mijn eigen vergoeding als gemeenteraadslid bedroeg voor 2016 net geen 2600 euro bruto. Na afhouding van belastingen resten iets meer dan 1600 euro netto, waarvan 600 euro afgedragen aan de lokale partijkas. Rest: 1000 euro voor 14 gemeenteraden en commissievergaderingen, of 70 euro per zitting. Bij deze.

Van de al enige tijd overleden Wannes Vandevelde las ik een interview ooit dat kwetsbaarheid het enige mogelijke antwoord was op het wijd verspreide cynisme van de macht. Maak daar vandaag maar gerust verbale kwetsbaarheid van, zoals die van de dichter (of bij uitbreiding: de plichtsbewuste journalist). Gisterenmorgen nog werd in Lokeren oud-collega Herman Fierens op het schild van de poëzie gehesen naar aanleiding van zijn nieuwe bundel Verglazende tijd. Mensen kunnen slechtere gewoonten hebben dan zo nu en dan een dichter op het schild te hijsen, schreef Benno Barnard ooit in Dichters van het Avondland. Maar “poetry makes nothing happen”, schreef de mij dierbare Auden toch? Neen, dichters zullen de wereld inderdaad niet veranderen. Van diezelfde Auden citeerde ik ooit het ritmische vers: “If you would civil your country, first you should civil your speech.” En zeg nu eens dat deze woorden vandaag niet meer actueel zouden zijn.

Met name dichters zien de wereld nu eenmaal anders. Spellen in barre tijden letters in de warmte van een woord (en het mogen meer dan 140 tekens zijn), roepen of schreeuwen of liegen niet, zijn de behoedzame straathoekwerkers van de taal, de voelsprieten van een ontsporende samenleving. Midden in de werkelijkheid, de vinger aan de pols van de tijd, zeker geen escapistische La La Landers. Het zijn daarom kouwelijke staten die de dichter nutteloos vinden en hem, zoals in Plato’s republiek, wel met kransen overladen, maar ongelezen parkeren in de marginaliteit. Dichters kunnen met hun taal, hun poëzie allicht dé wereld niet redden, maar de mijne voor een groot stuk toch wel. Ik blijf ze daarom lezen, van Szymborska wiens allerlaatste ik vorige week kocht (haar erfgenamen hadden blijkbaar nog een schuif met jeugdwerk ontdekt), tot Fierens, gisteren. Uit noodzaak.