De koudste week (Guy, 13.4.1964 - 4.1.2017)

Broer. In het Grieks klinkt ‘broer’ trouwens mooier, vind ik: adelphós. Betekent letterlijk: uit één baarmoeder. Die hadden we alvast gemeenschappelijk. Voor het overige konden twee broers niet méér van elkaar verschillen dan wij deden, in voorkeuren, interesses, manieren van zijn. Ik de dag, hij de nacht. Hij de lucht, ik de aarde. Ik het water, hij het vuur, gretig en gulzig, altijd.

We waren nooit elkaars beste vrienden, maar toen hij me meer dan drie jaar geleden op een stralende zomerdag eind juni belde om te zeggen dat er kanker was vastgesteld, raakte dit donkere nieuws me meer dan ik had kunnen denken. “Do not go gentle into that good night”, was mijn eerste gedachte, een vers van de Welshe dichter Dylan Thomas (1914-1953). Die trouwens ook wel een glas whisky lustte, en meer dan één zelfs. Alleen schreef Thomas dit vers en gedicht voor zijn stervende vader, zoals het hoort dat een zoon afscheid neemt van een oude vader, en niet andersom.

“Do not go gentle into that good night.” En ‘gentle’, zachtaardig, is hij inderdaad niet gegaan. Over kanker wordt vaak gesproken in militaire metaforen van vechten en strijden tegen een kwalijke vijand. En vechten hééft hij gedaan, tegen de dagelijkse terreur van de kankercellen, een veldslag gevoerd met chemische en radiologische wapens. De bressen in zijn verdedigingslinie werden echter steeds groter. Het verzet lastiger. Zijn lichaam een Aleppo, verwoesting alom en geen vluchten mogelijk. Het leven een loopgraaf, steeds benauwder, tot uiteindelijk enkel nog een bed, een zetel en tenslotte dat bed, het laatste.

En omdat poëzie helpt om het onverwoordbare te verwoorden, herlees ik in deze dagen ook enkele verzen uit het gedicht dat Wystan Hugh Auden (1907-1973) schreef bij het overlijden van de door hem zeer bewonderde Ierse Nobelprijswinnaar William Butler Yeats (1865-1939). Deze lijnen draaiden door mijn hoofd, toen ik na het afscheid maandag met een lage en vrieskoude januarizon in de ogen van Belsele naar Lokeren reed:

He disappeared in the dead of winter:
The brooks were frozen, the airports almost deserted,
The mercury sank in the mouth of the dying day.
[…]
For him it was his last afternoon as himself,
an afternoon of nurses and rumours:
The provinces of his body revolted,
The squares of his mind were empty,
Silence invaded the suburbs,
The current of his feeling failed: he became his admirers.

We waren nooit elkaars beste vrienden, maar bewonderen doe ik hem intussen wel. Om zijn troostend humeur – vooral voor zijn gezin, om zijn onverwoestbare hoop op beterschap, om de grappen die hij wou blijven maken, tot zelfs in het uur van de dood. En verder is er mijn dankbaarheid om de manier waarop hij voor ons aan deze koudste week drie oprecht intense en warme jaren heeft laten voorafgaan, in onderling gegroeid respect en met het mededogen en de mildheid van de jaren én de ziekte.

And the rest is silence.