Reünie

Een fan van reünies ben ik niet. Mijmeren over die enkele toevallig samen doorgebrachte schooljaren, plus de erbij horende clichégesprekken over werk, vrouw en kinderen zijn niet aan mij besteed. In mijn hele leven sleepte ik me nog maar twee keer naar een bijeenkomst van eigen oud-studiegenoten. De eerste keer kort na het afstuderen aan de universiteit, een treurbeurs bleek van wie werk had en wie niet. Enkele jaren daarna nog eens naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van het beëindigen van mijn humaniora, met vele grijzende en uitgedijde mannen (het onderwijs was in Sint-Niklaas toen nog niet gemengd). Een uitgestelde koffietafel voor een intussen lang begraven jeugd.

Maar toen een alleraardigste collega me vorig weekend onweerstaanbaar had uitgenodigd voor een bijeenkomst van haar afstudeerjaar van het Sint-Lodewijkscollege, twintig jaar geleden, kon ik niet neen zeggen. Daarvoor waren de herinneringen aan een aantal van die oud-leerlingen te zoet. De avond en nacht waren zacht, de gesprekken ook. Sommigen maakten me deelachtig aan de krassen op hun ziel, die ze nog niet hadden toen ze amper achttien vrolijk naïef de schoolpoort uitstapten. Ik luisterde hoe twintig jaren geluk hadden gebracht, maar ook verdriet. Heel eerlijk en openhartig.

En dan kwam de vraag, de onvermijdelijke, hoe het nog was op het college. Ik voelde de kilte van het avondlijk septembergras langs mijn benen omhoog kruipen en keek naar de nevelen over de velden achter de feestzaal en in mijn glas. Wat moest ik zeggen? Dat de school die ze in hun herinnering meedroegen voor hen nu onherkenbaar zou zijn geworden? Dat hún speelplaats tenminste nog veelplaats was? Dat de bijna twaalfhonderd kinderen van vandaag op nog altijd dezelfde oppervlakte voor elkaar en voor ons een grotere belasting vormen dan de zevenhonderd die ze zelf waren geweest? Dat geen berghok of bezemkast nog onbenut was gebleven als nieuw leslokaal? Dat mijn stem in lokaal (lees: bokaal) A017 galmt als in de gangen van het stedelijk zwembad, en wie mij kent, weet dat ik het niet voor zwembaden heb. Dat in A208 de beklemmende lambrisering aan een Finse sauna doet denken, met navenante temperaturen op zonnige dagen. Dat het raam er stuk is en op het geïmproviseerde bord amper een zin past, laat staan een van Cicero? Jaarschijven van 250 en klassen van 30 leerlingen, wat de kwaliteit van het organiseren danig bemoeilijkt? Een leraarskamer voor ooit 80 en nu 150 personeelsleden, waardoor ik op 1 september het gevoel had dat ik na een lange vakantie terugkeerde naar huis en vreemden aantrof in mijn keuken, zetel, bed?

Hoe het nog was op het college? Ik keek hen in de ogen, glimlachte en vertelde over hoe graag ik les gaf, nog altijd. Dat het in onderwijs toch eerst en vooral om de leerlingen gaat? Dat de 18-jarigen van nu in weinig verschillen van diegenen die ze zelf ooit waren, met dezelfde vragen, verlangens, onzekerheden en verwachtingen omtrent de toekomst. En dat bruto en netto schools geluk niet noodzakelijk samenvallen. Netto: de lieve leerlingen, de mij dierbare collega’s die recht proberen trekken wat hen krom is aangereikt, de eigen directie die roeit met de broze riemen die ze heeft. Maar met daar bovenop de tarra van de loze verpakking, het gebrek aan transparantie, de overhaaste hervormingsdrift bij bovenbazen en bestuurders.

Ze keken me instemmend aan, zegden dat dit er overal zo aan toe leek te gaan nu, op elk werk, in elke organisatie, een ziekte van de tijd. En toen ik ’s nachts naar huis fietste, iets te laat om goed te zijn en met mist en dranknevels in mijn hoofd, rekende ik me rijk dat ik deze reünie niet aan mij had laten voorbijgaan en dat dit verleden zin geeft aan mijn heden.