Olympia

Nu ook het Olympische sterrenstof is gaan liggen, sleept de sportzomer zich naar zijn einde met nog wat muurklimmen voor wielrenners in Spanje. Het Europees voetbalkampioenschap was saai en teleurstellend, met als enig lichtpunt het onbespoten enthousiasme van de IJslanders. De Ronde van Frankrijk bleek met een vroege val van Contador en de onbetwiste eindzege voor Froome andermaal heel voorspelbaar. Gelukkig konden sterke Van Avermaet en groene Sagan de boel wat opleuken en zullen ook de trippelpasjes van de gele truidrager op de Mont Ventoux nog lang bijblijven. En dan de spelen in Rio de Janeiro.

Natuurlijk was sportminnend en overig België in de wolken met de behaalde medailles, zoals in het geval van zevenkampster Nafi Thiam. De successen die je niet verwacht had, zijn nu eenmaal de mooiste. Mij lieten vooral de sportieve emoties van winnen en verliezen niet onberoerd. En toch. Ik stond deze zomer, nog voor de aanvang van de spelen, in het antieke Olympia en vroeg me toen af hoe (oud-)Grieks onze hedendaagse Olympische spelen nog zijn?

Om te beginnen werden in het oude Griekenland tijdens de spelen alle vijandigheden tussen oorlogvoerende stadstaten opgeschort. Tijdens de drie weken Rio gingen de oorlogen in de wereld hun ‘gewone’ gruwelijke gang, met alle denkbare en bedenkelijke varianten op het woord bom. Bomvaten, bomauto’s, bommentapijten. Geen Olympische godsvrede. En dan de veelheid aan sportdisciplines. In de oudheid stelden ze zich tevreden met boksen, worstelen, verspringen, discus- en speerwerpen, en hardlopen – met en zonder wapenuitrusting. Later kwamen er ook wagenrennen bij. Nu kan je het zo gek niet verzinnen: trampolinespringen, met z’n tweeën zo gelijk mogelijk van een tien meter hoge plank duiken of op veel te kleine fietsjes over een hobbelparcours racen.

Wat wel oer-Grieks is: de strijd om de overwinning. Niets geen ‘deelnemen is belangrijker dan winnen’. De naïeve baron de Coubertin, founding father van de moderne Olympische spelen, had het niet begrepen toen hij de oude Griekse spelen vanonder het stof van eeuwen wou halen en zei: “L’essentiel ce n’est pas d’avoir vaincu, mais de s’être bien battu”. Alleen de gouden medaille geldt, bleek telkens weer. Zilver is mooi, maar houdt verlies in. Brons al helemaal. En wat dan met de meest ondankbare van alle plaatsen: de vierde. Dit komt in de buurt van de echte betekenis van het al even klassieke begrip ‘tragiek’: je traint je vier jaar te pletter, doet er alles aan om in de best mogelijke vorm aan de start van je wedstrijd te verschijnen, wordt zelfs getipt als favoriet of medaillekandidaat, maar door een ongelukkige speling van het lot heb je tegenslag, faal je, word je ziek. Zoals Evi Van Acker, die kennis maakte met een kwalijke bacterie uit Riool de Janeiro en haar buikgriep niet meer te boven zeilde. Nog Grieks: de hybris van Peter Sagan, die voor de gelegenheid vervelde tot mountainbiker, iets te driest tot tweemaal toe zijn band aan flarden reed op de puntige rotsen van het parcours en geslagen van het toneel verdween. En wat met Dafne Schippers? Door heel Nederland op het schild gehesen nog voor ze de finale van de honderd meter sprint had gelopen. Waarin ze vijfde eindigde. Tragisch. Uiteraard kon ze heel Grieks ook niet gelukkig zijn met het troostzilver van de tweehonderd meter.

Het past evenwel niet om zich te verkneukelen in de pech of de nederlaag van anderen. Respect voor welke prestatie dan ook is gewenst. De boodschap van de Griekse tragedie is er vooral een van mededogen. De tragedie brengt ons tot het inzicht dat we ons moeten hoeden voor verblinding, misrekening en overmoed. We moeten leren leven met de beperktheden, de tegenspraken en de pijn die zijn verbonden met de eindigheid en de limieten van het menselijk bestaan. Dat toonden de Olympische spelen in Rio opnieuw in overvloed, en ditmaal eens niet voor gewone mensen, maar uitvergroot bij topatleten. En daarom hou ik er ondanks alles wel van en zal ik over vier jaar opnieuw kijken, als het leven meewil.