Okrapolis

Vijfenvijftig vandaag en het regent. Ik neem terloops kennis van het zeer geruststellende feit dat mijn belangen vanaf nu verdedigd worden door OKRA 55+, ‘een beweging van, voor en met gepensioneerden of mensen in dezelfde levensfase’. Voor mij dan dat laatste, met pensioen steeds verder weg aan de professionele horizon. Net terug uit Griekenland ook. Een land aan de rand van de afgrond, wordt wel eens gezegd. Maar als dat zo zou zijn, wat een mooie rand, met zon en warmte en licht en hartelijkheid, die ik hier, nog maar drie dagen terug thuis, al zeer mis!

Hoe de vakantiekeuze op Griekenland was gevallen? Voor mijn huisgenoten een grote onbekende waarnaar nieuwsgierigheid was gegroeid met de jaren en de actualiteit van grexit en andere Europese hot issues. Voor mij een weerzien met de liefde van mijn beroepsleven, na drie eerdere bezoeken in verschillende hoedanigheden en op verschillende leeftijden. Ik moet toegeven dat ik wel wat onrust voelde om de confrontatie aan te gaan met het land in zijn huidige toestand. Zou de betovering mij een vierde maal bevangen, of plaats maken voor een desillusie die ik dan voor de rest van mijn leven jammerlijk zou meedragen?

Ons programma was van een grote eenvoud: drie dagen Athene, drie dagen Delphi, een dag Olympia, drie dagen Nafplio en een epiloog in opnieuw Athene. Daarbij alle highlights van de traditionele ‘grand tour’ uit de tijd dat een klassieke vorming mét Grieks nog tot de essentie van het westers onderwijs behoorde. En dus bestegen we traag want in dichte drommen met een over(ge)wicht aan Amerikaanse bejaarden de Akropolis, door mijn jongste daarom spottend de Okrapolis genoemd. Akreupolis ook, voor wie moeilijk te been was. Gevolgd door een uitgebreid bezoek aan het schitterende (ik zal deze superlatief hier niet te veel proberen gebruiken) nieuwe museum aan de voet van de rots en het klassieke Nationaal Museum. Tussendoor ettelijke tzatziki’s, liters water en ’s avonds bier van het merk Fix. Opgaan in de heldere i-klanken van het moderne Grieks, waarvan ik mijn kennis voor de gelegenheid een beetje had opgefrist. Vele handelspanden in crisis, dat helaas wel, met de rolluiken naar beneden en leegstaande gebouwen. Geen vluchteling gezien trouwens. In een lederwinkel een nieuwe boekentas gekocht, mijn derde nog maar in 33 jaar lesgeven. Hopelijk ook mijn laatste. Gelukkig wakkerde ’s avonds de ‘meltemi’ of hardnekkige, maar ook verkoeling brengende noordenwind aan, die zoete herinneringen met zich mee voerde aan een openbarende reis van 37 jaar geleden, toen ik de stad had leren kennen in het lichtjes benevelde zog van mijn leraar Grieks, die mij de liefde voor de taal, de cultuur en metaxa bijbracht. Ik had hem nu graag een bedankingskaartje gestuurd, maar hij stierf enkele jaren geleden, veel te vroeg. De stad uitrijden met een gehuurd Polootje gaf een zeldzaam stressmoment: rijden in Griekenland is gemotoriseerd schaatsen van links naar rechts en terug, zonder acht te slaan op rijvakken of dubbele lijnen, pechstrook inbegrepen. Je rijdt waar je kan, wanneer je kan, zo snel je kan.

Delphi dan. Het meest adembenemende panorama dat ik ken. Boven op de archeologische site het stadion, met daaronder het theater, de orakeltempel (Pythia!) en dan de Parnassos en olijfgaarden zover het oog reikt. Badend in het licht van Phoibos, de zonnegod Apollo. Een bijna mystieke ervaring, met een minimalistisch repetitieve soundtrack van tsjirpende krekels. Het hotel was het meest luxueuze waar ik ooit vertoefde, met horizontale terrasbouw die aan Frank Lloyd Wright deed denken en een zwembad met zicht op de bergen. Amper gasten. Zowat één bediende per vier aanwezigen, schat ik. Ik had met hen te doen. Lieve mensen, vergeet bijvoorbeeld Turkije en Please go Greece!

Olympia was een braadpan van bij de 40 graden. Ik had er op straat het gevoel gewokt te worden. De site bezochten we daarom ’s avonds, in een zachter licht dan overdag, maar met slechts enkele graden korting op de middaghitte. De Olympische zomerspelen mogen hier dan wel hun oorsprong hebben, in de zomer zullen ze toen toch niet gehouden zijn, denk ik.

Tenslotte Nafplio, een alleraardigst havenstadje met ongemeen boeiend hinterland, waaronder Mykene en het beroemde theater van Epidauros. Helaas kwam de weekendopvoering van Sophokles’ tragedie Koning Oidipous voor ons een dag te laat. Hier wel wat meer toerisme, met een komen en gaan van boten en bootjes en blijkbaar nogal wat Grieken met vakantie in eigen land. Leuke winkeltjes ook, waaronder een waar ik me, onder meewarige blikken van mijn liever Pokemonvangende zoonlief (een nieuw 'Homerisch' epitheton), gewillig liet verleiden tot de aankoop van een oud kaartje van Griekenland uit 1612. En dan huiswaarts.

Ik laat het aan de lezer over om uit wat hierboven staat af te leiden of de betovering opnieuw gewerkt heeft. Of mijn hevige liefde van toen de tijd getrotseerd had. Of de melancholie het haalde van het cynisme. Maar graag geef ik nog een gedichtje mee van Hesiodos, een schrijver uit de zevende eeuw voor Christus, woonachtig in Askra, een plaatsje waarnaar ik een wegwijzer zag staan tussen Thebe en Delphi. Hij had het over de zoete zomer en wat erbij hoort, toen maar misschien ook vandaag (Werken en Dagen, verzen 582-596 – in een eigen rijmende vertaling). Wanneer ik vanavond mag toasten op mezelf, zal ik terugdenken aan dit Griekenland dat ik een beetje het mijne wil blijven noemen.

Wanneer de distel bloeit
en in de bomen
krekels zingen
de zware zomer loeit,

dan zijn de geiten vet
de wijn op smaak
de vrouwen vurig
hun mannen fel in bed.

De dagen van de Hond
verbranden hoofd
en knie en vel
en scheuren nu de grond.

Ik droom een heerlijk feest
de schaduw van een rots
met brood en wijn
en vlees van menig beest

en met een volle maag
de wind op onze wang
veel water in de wijn
dan dronken worden, traag…