De geschiedenis, zij

Vorige zondag werd in de kapel van de Zusters Heilige Engelen in Lokeren een boekje voorgesteld over de geschiedenis van deze congregatie. Auteur (en priester) Herman Steels had me gevraagd om een gelegenheidstoespraak te houden, een aanbod dat ik niet kon weigeren. Uit respect voor de kloosterzusters, waarvan ik er enkele goed gekend heb tijdens hun dienstjaren in ‘mijn’ Sint-Lodewijkscollege en omdat ik als historicus in spe van de gelegenheid kon gebruik maken om wat kanttekeningen te plaatsen bij de algemene historische praktijk:

De Duitse auteur Bertolt Brecht schreef in 1935 het gedicht Fragen eines lesenden Arbeiters. Hij laat hierin een arbeider kritisch kijken naar grote momenten en figuren uit de klassieke geschiedschrijving en vragen stellen bij de verloochende rol van het arbeidende volk: ‘Wie bouwde het zevenpoortige Thebe? In boeken staan de namen van de koningen. Hebben zij dan de stenen aangesleept? … Alexander de Grote veroverde Perzië. Hij alleen? Caesar onderwierp Gallië. Had hij niet minstens een kok bij zich?’ Enzovoort. Hij schreef het als een pleidooi voor een groter aandeel van de ‘gewone’ man in de historische benadering. Het gedicht kan als leidraad dienen voor de aanhangers van de ‘history from below’, een concept dat in het begin van de jaren 1960 werd geïntroduceerd door de Engelse historicus Edward Palmer Thompson. Velen, zowel academici als liefhebbers, hebben zich in recente decennia ingespannen om de geschiedenis van onderuit te (her)schrijven. De studie van het dagelijks leven in zijn meest uiteenlopende facetten, de aandacht voor het leven en werk van lokale persoonlijkheden en gewone mensen, het documenteren van historische gebeurtenissen door het optekenen van mondelinge getuigenissen, het zijn alle zeer waardevolle aanvullingen bij de ‘grote geschiedenissen’ van keizers, veldheren en politici.

Maar, is de geschiedenis dan alleen maar een man? Iedereen kent Alexander de Grote, maar wie deed zijn was? Iedereen kent Caesar, maar wie maakte zijn bed op? Iedereen kent Lodewijk XIV en zijn paleis in Versailles, maar wie dweilde er de gangen en poetste de spiegels? Wie baarde en troostte de helden? De geschiedenis is net zo goed een vrouw, zou men kunnen zeggen, een boutade waar notoir vrouwenliefhebber Brecht niet veel op tegen zou gehad hebben. De geschiedenis, zij toch ook?

De geschiedenis van de congregatie van deze zusters begon in 1880 toen Louis De Brabander, directeur van het Sint-Jozefinstituut in Sint-Niklaas, op zoek ging naar enkele religieuzen om ‘aan leerkrachten en leerlingen, bijzonder aan de jonge internen, een goede verzorging en geborgenheid te kunnen schenken, alsmede om het huis goed te onderhouden.’ Omdat hij er niet in slaagde om aan bestaande congregaties zusters te ontfutselen, stichtte hij in 1883 dan maar zelf een nieuwe congregatie, met ‘moederhuis’ in Lokeren. Zij heeft een grote betekenis gehad heeft in het Lokerse weefsel van het einde van de 19de en de hele 20ste eeuw, en haar aanwezigheid laat tot op heden zijn sporen in een school en een zorginstelling, vlakbij het klooster. Een grote betekenis ook in de ontwikkeling van de colleges van het bisdom Gent.

Het leven van deze religieuzen diende er één te zijn van diepgelovige godsvrucht, oprechte eenvoud, radicale armoede en het beleven van stilte. Het grote aantal roepingen zorgde ervoor dat aan de aanvragen van colleges om hulp bij huishoudelijke taken gevolg kon gegeven worden. Het Sint-Lodewijkscollege werd in 1885 zelfs het eerste externe filiaal van de congregatie. Toenmalig superior De Brydel schreef op 20 oktober 1886 aan zijn bisschop Henri Bracq hoe door de komst van de zusters een deel van het onderhoudspersoneel kon afgedankt worden, wat een besparing betekende. De zusters dienden heel hun leven gratis en voor niets te werken, voor het welzijn van de priester-leraren (de ‘heren’) en de leerlingen van het internaat.

Hun dagschema als collegezuster was heel strikt: opstaan om vijf uur, gebeden doen in de refter, de mis in de kapel bijwonen (opgedragen door de superior of één van de collegepriesters), en daarna pas ontbijten. Rond zeven uur begon het werk in de keuken, in de refters, op de slaapzaal en de kamers van de internen (het college van Lokeren had een internaat tot 1970), de kamers van de priesters: overal alles klaarzetten of kuisen, en met kannen water en emmers sleuren van beneden naar boven en terug. Tot halverwege de jaren 1960 droegen ze bovendien bij dit alles zware en onpraktische kloosterkledij. Wanneer ze hiermee klaar waren in de loop van de voormiddag, wachtte het washuis en de strijkkamer met de eigen was en die van de superior. De andere priesters moesten zelf voor hun wasgoed zorgen. Ook tafellakens, servetten en handdoeken werden door hen gewassen en waar nodig hersteld in de naaikamer. Boodschappen deden ze niet zelf, daar waren de knechten voor. Verder bestond hun dagtaak uit koken, soms hele feesten bereiden, afwassen, groenten uit de tuin halen en kuisen, refters klaarzetten, de kapel kuisen en zieke of gewonde leerlingen troosten en verzorgen. Veel tijd voor zichzelf hadden deze collegezusters dus niet. Veel contact met de buitenwereld evenmin.”

Toen ik enkele jaren geleden de geschiedenis van de school te boek stelde, vergat ik hen niet en besteedde ik ruim aandacht aan hun afgeschermde leven van dienstbaarheid. De geschiedenis, zij. Laten we niet vergeten dat Kleio, de muze van de geschiedenis, als dochter van Zeus ook een 'zij' was en samen met haar acht zusters een inspirerende congregatie vormde, waartoe ik me graag in devotie richt. De geschiedenis, zij. Vrouwelijk meervoud hier zelfs. En schreef de beroemde mediëvist Georges Duby in zijn boek Ridder, Vrouw en Priester niet geheel terecht: ‘Eén groep dienen wij echter niet te vergeten, te midden van al dat kabaal van die mannen die luidkeels verkondigen wat ze gedaan hebben of even luidruchtig verkondigen wat zij zouden willen doen: de vrouwen. Er wordt veel over hen gepraat. Wat weten wij eigenlijk van hen?’ Wel, het is de verdienste van amateurhistoricus Herman Steels dat hij de vrouwen van deze in Lokeren verankerde congregatie een gezicht en een stem heeft gegeven. Ze verdienen hun plaats in de (lokale) geschiedenis.