Arthur Joos, gelukszoeker

Net een van de eerste hoogtepunten van het nieuwe schooljaar achter de rug: een sportdag die bestond uit een zogenaamd 'creatieve, innovatieve en uitdagende' doorschuifregeling met een onvermoede variatie aan veelkleurige springkastelen en verder nog spelletjes zoals tussen-twee-vuren, frisbee en kubb! Afronden deden we al even peptalkgewijs door met een 'alcoholbrilletje' op de neus een zatte ervaring te ondergaan. Ik deed de test, maar wat ik zag stemde hoegenaamd niet overeen met wat ik tijdens mijn eigen schaarse drankuitspattingen had gezien. Of misschien was ik dus die enkele keren nog niet zat genoeg geweest? Maar niet gezeurd: de zon scheen, het vers gemaaide gras van het atletiekplein geurde lekker en mijn zeventienjarige leerlingen ‘smeten’ zich ongeremd en in aanstekelijk enthousiasme de dag door. Ik kwam er zowaar zelf door in de verleiding om de in de sporthal uitgezette kastelenroute ook eens uit te proberen en daarenboven met een frisbee te gooien.

Zo’n voorwaar intense sportdag heeft toch ook zijn dode momenten, met tijd voor bezinning. Staande bij de opgeblazen speelkussens met dolle leerlingen dacht ik – ik kon het niet verhelpen – aan hun leeftijdsgenoten in rubberbootjes en op veredelde luchtmatrassen op de Middellandse Zee. Ik zag zorgeloze kinderpret langs een nep hindernissenparcours en strijd tussen klasteams die achter elkaar aan zaten, en dacht aan de echte en hachelijke vluchtroutes van ontelbare kinderen en de kat-en-muisscènes met de ordediensten aan de prikkeldraadgrens tussen Servië en Hongarije.

En dan dat hartbrekende beeld van het dode jongetje op de kust van Turkije. Hier passen geen woorden bij. De foto’s spreken voor zich. Tekst is overbodig. Een pen in het zoute water van deze wrede zee dopen, kan enkel onzichtbare zinnen opleveren. Dag na dag schrijnende beelden op televisie… Uiteraard moeten we ons hart openen voor de ellende van al die mensen. ‘Ellende’ is hier het juiste woord, want betekent letterlijk ‘in een ander land’, en de el- van ellende is ook die van el-ders, of het Engelse ‘elsewhere’. Ik stel in deze uitzichtloze treurnis mijn hoop eerder op de vele mensen die intussen zwijgend doen wat ze kunnen, dan op diegenen die rondbazuinen wat ze (we) vooral niet kunnen.

Want wat te denken van het borstgeroffel van onze politici in de marge van dit leed? De voorzitster die de vluchtelingenstroom wilden verengen tot een probleem van ons kindergeld. De minister die het nodig vond om de spanning op de krappe sociale huurmarkt nog wat aan te scherpen (“Wie een huis in Aleppo heeft, kan geen aanspraak maken op een sociale woning hier!”). Of de voorzitter-burgemeester die de semantische discussie wou opkoteren over wie vluchteling is en wie gelukzoeker (“In Turkije ben je vluchteling, in Europa een gelukszoeker.”). Dit laatste valt te lezen als: hier niet gewenst.

Deze uitspraak klonk me zeer ongemakkelijk in de oren, zeker uit de mond van een historicus. In de stad van deze man staat nochtans het indrukwekkende museum van de Red Star Line die op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw drie miljoen Europeanen de Atlantische oceaan overzette naar de Verenigde Staten van Amerika. Moet hij toch zeker eens gaan bezoeken: het kan met recht en reden gelden als hét museum van de Europese migratie. Onder de passagiers ook Arthur Joos, een grootnonkel van mij, broer van mijn overgrootvader. In de database van het museum en op de website van de Ellis Island Foundation vond ik zijn gegevens terug. Arthur Joos, sigarenmaker uit Sint-Niklaas, ging in 1909, goed twintig jaar oud, aan boord van het passagiersschip de Vaderlander om in de Nieuwe Wereld zijn geluk te beproeven. Hij verdiende er (denk ik) goed geld, liet er twee wereldoorlogen aan zich voorbijgaan en keerde op late leeftijd terug naar België om zijn laatste jaren te slijten in een bescheiden huis in de Gentse Sint-Lievenspoortstraat. Eenmaal mocht ik met mijn grootmoeder (het was haar nonkel) mee bij hem op visite, met de trein. Een hartelijke man, herinner ik me, die Nederlands sprak met een sterk Amerikaanse tongval. Ik moest er alleen doen wat toen van kinderen van jonge leeftijd werd verwacht, namelijk zwijgen, en zag hoe hij haar van het pensioen dat hem in dollars werd uitbetaald wat zakgeld toestopte (iets wat hij geregeld deed trouwens). Arthur was een gelukszoeker geweest, die op zijn eigen heel bescheiden manier had bijgedragen tot het succesverhaal Amerika, dat hem met open armen had ontvangen. Hoor het goed, en ik herhaal het graag: een gelukszoeker. Zoals inderdaad ook die Syrische gezinnen vandaag aan onze grenzen, die hun geluk in Europa zoeken en eindelijk aan vrede en veiligheid toe zijn na jaren van onophoudelijke oorlog. Hoe zouden we zelf zijn?